Conclusie
Korte beschrijving van de zaak
ro. 3.1 overwogen:
Bespreking van middel I
Bespreking van middel II
Bespreking van middel III
Conclusie
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal onder welke voorwaarden de curator van een gefailleerde vennootschap de voormalige bestuurders en commissarissen aansprakelijk kan houden voor de kosten van een gehouden enquête. De ondernemingskamer had vastgesteld dat er sprake was van omvangrijk wanbeleid binnen de vennootschap, waarbij bestuurders en commissarissen hun taken niet naar behoren hadden vervuld.
De curator verzocht de kosten van het onderzoek te verhalen op deze functionarissen, stellende dat zij de belangen van de vennootschap ondergeschikt hadden gemaakt aan die van de meerderheidsaandeelhouder. Het hof oordeelde dat het wanbeleid zo omvangrijk was dat alle betrokkenen daarvan op de hoogte waren of hadden moeten zijn, en dat zij niet op behoorlijke wijze stelling hadden genomen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van een commissaris die zich onvoldoende had kunnen verweren en stelde dat de ondernemingskamer een ruime uitleg mag geven aan artikel 2:354 BW Pro. Hierbij hoeft het oordeel niet uitsluitend op het onderzoeksverslag te steunen, maar kan ook rekening worden gehouden met nadere stellingen en stukken. De aansprakelijkheid kan ook worden gebaseerd op collectieve fouten van het orgaan waarvan de betrokkene deel uitmaakt, niet alleen op individuele fouten.
De Hoge Raad benadrukte dat het doel van artikel 2:354 BW Pro is om de kosten van de enquête toe te rekenen aan degenen die daarvoor het meest in aanmerking komen, zonder zware eisen te stellen aan de ernst van de fout. Het beroep werd verworpen en de verzoeker werd in de kosten veroordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en bestuurders en commissarissen worden hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de enquêtekosten.