ECLI:NL:PHR:1999:AA2640
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting bij overdracht landbouwonderneming door ouder aan kind
De zaak betreft de vraag of de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing is op de overdracht van een deel van een landbouwonderneming door een vader aan zijn zoon. De vader exploiteerde twee boerderijen met verschillende functies, waarbij boerderij 2 werd overgedragen aan de zoon zonder vee en inventaris, maar met onroerende zaken. De zoon zette activiteiten voort die wezenlijk overeenkomen met die van de vader, namelijk het verzorgen van jongvee voor het melkveebedrijf van de vader.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van een zelfstandige onderneming die door de zoon werd voortgezet, omdat alleen onroerende zaken waren overgedragen en de zoon andere activiteiten ontplooide. De Hoge Raad stelt echter dat het hof ten onrechte beide aspecten heeft vermengd en dat het objectieve criterium van een zelfstandige onderneming moet worden toegepast. De Hoge Raad concludeert dat boerderij 2 een zelfstandig onderdeel van de onderneming van de vader vormde en dat de zoon deze onderneming voortzette.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het ontbreken van eigendom van vee en inventaris niet aan toepassing van de vrijstelling in de weg staat, aangezien de activiteiten wezenlijk dezelfde zijn en het vee vermoedelijk in bruikleen bleef. Het middel dat het hof het oordeel over misbruik van bevoegdheid en vertrouwen in de inspecteur bevestigde, wordt verworpen. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en de naheffingsaanslag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en de naheffingsaanslag, en oordeelt dat de vrijstelling overdrachtsbelasting van toepassing is op de overdracht van de zelfstandige onderneming door de vader aan de zoon.