Rechtsoverweging 6 houdt in dat thans als vaststaand tussen partijen geldt wat de Rechtbank in meergenoemde eerdere procedure in haar inmiddels onherroepelijk geworden beschikking van 21 maart 1996 heeft vastgesteld. Geconstateerd wordt dat de Rechtbank in die beschikking onder meer overwoog dat in het onderhavige geval de door [verzoekers] betaalde prijs niet kan worden aangemerkt als een objectieve maatstaf voor het vaststellen van de voor het penthouse verschuldigde servicekosten. Daaraan verbindt de Rechtbank de conclusie dat uit die overweging volgt dat thans tussen partijen vaststaat dat in de splitsingsakte van een niet reële, lage verkoopwaarde van het appartement van [verzoekers] is uitgegaan.
Eveneens met een beroep op genoemde onherroepelijk geworden beschikking verwerpt de Rechtbank in rechtsoverweging 3 de grief gericht tegen twee feitelijke vaststellingen door de Kantonrechter, te weten dat [verzoekers] in een vroegtijdig stadium hun appartementsrecht hebben gekocht en dat op aanwijzing van [verzoeker 1] als directeur van [B] B.V. de verkoopwaarde als verdeelsleutel van de servicekosten is opgenomen.
In rechtsoverweging 4 overweegt de Rechtbank naar aanleiding van grief III dat de Kantonrechter terecht het stilzitten van [verzoekers] na de beschikking van de Rechtbank in de eerdere procedure, het weigeren van de door [veweerder 1] c.s. verzochte medewerking aan een taxatie en de (proces)houding van [verzoekers] heeft laten meewegen in zijn oordeel dat het uitblijven van een reactie van [verzoekers] binnen de gestelde termijn van twee weken kon worden uitgelegd als het zonder redelijke grond weigeren van medewerking.
In rechtsoverweging 5 onderschrijft de Rechtbank het oordeel van de Kantonrechter dat de verkoopprijzen van de onderscheidene appartementen als objectieve maatstaf kunnen dienen voor de vaststelling van de verdeling van de servicekosten. Daartoe wordt het volgende overwogen:
‘
’5.3 De kantonrechter heeft onweersproken vastgesteld dat de bestaande verdeelsleutel geen reële, objectieve maatstaf vormt. Gebleken is echter dat partijen niet in onderling overleg tot een andere maatstaf kunnen komen.
5.4 Een door de rechter vast te stellen eenvoudig te hanteren maatstaf is derhalve geïndiceerd. Juist in een situatie waarin partijen fundamenteel van mening blijken te verschillen heeft de koopprijsmethode het voordeel van de eenvoud.
5.5 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de kantonrechter onder de hiervoor onder 5.3 en 5.4 vermelde omstandigheden de thans door [verweerders] voorgedragen koopprijsmethode terecht als een objectieve maatstaf voor de verdeling van de servicekosten gekwalificeerd.
5.6 Elke andere methode die leidt tot een gedifferentieerd stelsel, zoals de door [verzoekers] voorgestane methode, is — hoe objectief ook — in dit concrete geval minder geschikt, omdat zij een potentiële bron vormt van nieuwe discussies en procedures. (…)’’
In rechtsoverweging 6 verwerpt de Rechtbank de grief gericht tegen het oordeel van de Kantonrechter dat [verzoekers] hun rechten hebben verspeeld om de deugdelijkheid van de taxatie door [de makelaar] aan te vechten. Overwogen wordt in dat verband:
‘’
6.6 Als grond voor verwerking van het recht van [verzoekers] om de deugdelijkheid van de taxatie door [de makelaar] aan te vechten heeft de kantonrechter onder meer genoemd, dat [verzoekers] niet heeft willen meewerken aan de aanwijzing van een makelaar en aan de totstandkoming van diens taxatie. Voorts heeft de kantonrechter gewezen op de houding van [verzoekers] ten opzichte van de problematiek van de verdeelsleutel vanaf 1991.
6.7 Ook naar het oordeel van de rechtbank verzetten de onder 6.6 genoemde omstandigheden zich ertegen, dat [verzoekers] thans nog met succes de deugdelijkheid van de taxatie door [de makelaar] kan aanvechten. Dat zou wellicht anders zijn als gerede twijfel zou bestaan over de onafhankelijkheid of de deskundigheid van deze makelaar of geoordeeld zou moeten worden dat hij in redelijkheid niet tot deze taxatie had kunnen komen, maar feiten en omstandigheden die tot dit oordeel zouden moeten leiden zijn gesteld noch gebleken.
Anders dan de kantonrechter is de rechtbank echter van mening, dat voor deze beslissing niet rechtsverwerking maar strijd met de redelijkheid en billijkheid de grondslag vormt.(…)’’