ECLI:NL:PHR:1998:28
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbare kosten en waardering van inbeslaggenomen cocaïne bij profijtontneming uit drugshandel
In deze zaak stond de vraag centraal of verliezen die zijn geleden door een gefingeerde beroving van geld bedoeld voor de aankoop van verdovende middelen en door afpersing van de veroordeelde als aftrekbare kosten kunnen worden aangemerkt bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) uit drugshandel. Daarnaast werd beoordeeld of de waarde van bij aanhouding inbeslaggenomen cocaïne in mindering moet worden gebracht op de schatting van het w.v.v.
De Hoge Raad stelde vast dat alleen kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict als aftrekbare kosten kunnen worden beschouwd. Verliezen door gefingeerde beroving en afpersing vallen hier niet onder, omdat zij niet noodzakelijk zijn voor het plegen van het delict, maar eerder risico's van het handelen in die markt. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de waarde van de inbeslaggenomen cocaïne niet in mindering wordt gebracht, omdat deze geen voordeel heeft opgeleverd en de inbeslagname een risico van het métier vormt.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde het oordeel van het hof dat de kosten niet als verwervingskosten mogen worden afgetrokken en dat de waarde van de inbeslaggenomen drugs niet mag worden verrekend met het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hiermee werd de verplichting tot betaling van het ontnomen voordeel bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verliezen door beroving en afpersing niet aftrekbaar zijn en dat de waarde van inbeslaggenomen cocaïne niet in mindering wordt gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.