ECLI:NL:PHR:1998:2

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 1998
Publicatiedatum
23 augustus 2016
Zaaknummer
3584
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 433 lid 3 SvArt. 553 SvArt. 572 lid 1 SvArt. 575 lid 2 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking wegens onjuiste tenuitvoerlegging dwangbevel en restitutie consignatiebedrag

In deze zaak heeft de Hoge Raad de bestreden beschikking vernietigd omdat het dwangbevel niet op de juiste wijze was uitgevaardigd. Het hof had vastgesteld dat het dwangbevel was uitgevaardigd door de officier van justitie te Leeuwarden, maar volgens de Hoge Raad had het arrest van het gerechtshof te Arnhem geëxecuteerd moeten worden op last van de procureur-generaal bij dat hof.

Het dossier ontbrak aanvankelijk belangrijke stukken zoals het dwangbevel en het bezwaarschrift, maar deze konden later worden aangevuld met afschriften van het CJIB te Leeuwarden. De Hoge Raad benadrukt dat het Openbaar Ministerie bij het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, belast is met de tenuitvoerlegging, conform de artikelen 553, 572 lid 1 en 575 lid 2 Sv.

De conclusie is dat het verzet tegen de tenuitvoerlegging alsnog gegrond moet worden verklaard en dat het bedrag dat in consignatie was gegeven, gerestitueerd moet worden. De Procureur-Generaal merkt op dat verzoekster inmiddels de vereiste zekerheid heeft gesteld, waardoor het cassatieberoep in behandeling kan worden genomen.

Tot slot wordt vermeld dat de officier van justitie te Leeuwarden niet bevoegd is om dwangbevelen uit te vaardigen voor andere sancties dan die in de WAHV bedoeld zijn, en dat de eerdere bezwaren tegen de beschikking onbesproken kunnen blijven.

Uitkomst: De bestreden beschikking wordt vernietigd, het verzet wordt gegrond verklaard en het in consignatie gegeven bedrag wordt gerestitueerd.

Conclusie

Tweede aanvullende conclusie
Nr. 3584 D Besch.
Mr Van Dorst
Parket, 24 februari 1998
Conclusie inzake:
[verzoekster=veroordeelde]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij tussenbeschikking van 4 november 1997 heeft Uw Raad beslist dat en waarom art. 6 EVRM Pro weliswaar van toepassing is op de onderhavige verzetprocedure, doch dat verzoekster zich niet op deze verdragsbepaling kan beroepen ter staving van haar standpunt dat zij in verband met haar (gestelde) geringe draagkracht niet behoeft te voldoen aan de in art. 575 lid 3 Sv Pro vermelde verplichting tot voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten.
2. Verzoekster heeft inmiddels de vereiste zekerheid gesteld. [1] Het cassatieberoep kan derhalve in behandeling kan worden genomen.
3. Ambtshalve merk ik het volgende op.
4. In het dossier dat op de voet van art. 433 lid 3 Sv Pro aan de Hoge Raad is gestuurd, bevindt zich niet het in casu uitgevaardigde dwangbevel (en kostenberekening); ook ontbreekt het bezwaarschrift waarmee verzet is gedaan. Bedoelde stukken konden niet meer achterhaald worden bij het gerechtshof te Arnhem. Niettemin kon het dossier gecompleteerd worden daar het CJIB te Leeuwarden in staat bleek om afschriften te verstrekken.
5. Het hof heeft in zijn bestreden beschikking vastgesteld dat het dwangbevel is uitgevaardigd door de officier van justitie. Naar uit de thans aanwezige stukken kan worden afgeleid, doelt het hof daarmee klaarblijkelijk op het door de officier van justitie te Leeuwarden gegeven dwangbevel tot tenuitvoerlegging van het door het gerechtshof te Arnhem op 24 december 1993 gewezen arrest.
6. Art. 553 Sv Pro belast het OM bij het gerecht dat de beslissing heeft gegeven met de tenuitvoerlegging. Andere voorschriften bevestigen dit. Gewezen kan worden op art. 572 lid 1 Sv Pro inhoudende dat de tenuitvoerlegging van een beslissing houdende de veroordeling tot o.m. geldboete geschiedt door het OM dat de zaak aanhangig heeft gemaakt, en art. 575 lid 2 Sv Pro inhoudende dat met het oog op verhaal een dwangbevel kan worden uitgevaardigd door het OM dat met de tenuitvoerlegging van de beslissing is belast.
7. Hieruit volgt dat het in casu door het gerechtshof te Arnhem gewezen arrest d.d. 24 december 1993 geëxecuteerd had dienen te worden op last van de procureur-generaal bij het hof. Opmerking verdient nog dat de officier van justitie te Leeuwarden aan art. 26 lid 2 WMW Pro niet de bevoegdheid kan ontlenen om dwangbevelen uit te vaardigen met het oog op verhaal van andere dan de in de WAHV bedoelde administratieve sancties. Ik moge daartoe verwijzen naar o.m. HR DD 97.009 en DD 97.066.
8. Dit leidt ertoe dat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven, dat het verzet alsnog gegrond dient te worden verklaard en dat het in consignatie gegeven bedrag behoort te worden gerestitueerd (HR 10 juni 1997 nr. 34930).
9. Na het ambtshalve bijbrengen van voormelde cassatiegronden kunnen de door mr Hummels ontwikkelde bezwaren tegen ‘s hofs beschikking onbesproken blijven. Mocht Uw Raad ze toch behandeld willen zien, dan ben ik bereid dat bij aanvullende conclusie te doen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, met bepaling dat het door verzoekster in consignatie gegeven bedrag zal worden gerestitueerd.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Voetnoten

1.Een verklaring voor deze met haar eerdere opstelling niet geheel strokende handelwijze wordt niet gegeven en behoeft trouwens ook niet te worden gegeven. Ik houd het er maar op dat verzoekster ondertussen een onverwacht fortuin ten deel is gevallen.