ECLI:NL:PHR:1997:AA3313
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing deelnemingsvrijstelling bij aandelenbezit in werkmaatschappij en bedrijfsopvolging
Deze zaak betreft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting 1969. De belanghebbende, X B.V., was opgericht door D en hield aandelen in G-nieuw, een werkmaatschappij die was opgericht ter voortzetting van de bedrijfsactiviteiten van G-oud, waarvan de aandelen door vererving waren overgegaan.
Het geschil draaide om de vraag of de deelnemingsvrijstelling van toepassing was op de uitkering door G-nieuw aan X B.V. Het hof oordeelde dat het aandelenbezit van X B.V. in G-nieuw niet als belegging kon worden aangemerkt, maar in de lijn lag van de normale uitoefening van haar onderneming, mede gelet op haar betrokkenheid bij het management van G-nieuw.
De staatssecretaris stelde in cassatie dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door te veronderstellen dat het niet als belegging houden van aandelen automatisch betekent dat het aandelenbezit in de lijn van de onderneming ligt. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat X B.V. een onderneming drijft en dat het aandelenbezit in G-nieuw daarmee samenhangt.
De Hoge Raad concludeerde dat het beroep ongegrond is en verwierp het cassatieberoep, waarmee de deelnemingsvrijstelling van toepassing blijft op de uitkering aan X B.V.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen en de deelnemingsvrijstelling blijft van toepassing op de uitkering aan X B.V.