ECLI:NL:PHR:1997:AA3215
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflopend aanmerkelijk belang bij emissie en storting op aandelen voor inkomstenbelasting
De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 39, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 inzake het begrip aflopend aanmerkelijk belang. De belanghebbende had een middellijk 50%-belang in een BV dat werd omgezet in een onmiddellijk belang, gevolgd door een emissie van nieuwe aandelen waarop verschillende stortingen volgden. Hierdoor daalde zijn aandeel in het gestorte kapitaal tijdelijk onder de drempel voor aanmerkelijk belang.
De inspecteur stelde dat de verkoop van een deel van de aandelen winst uit aanmerkelijk belang opleverde, wat door het hof werd bevestigd. De belanghebbende stelde dat de emissie en latere storting op aandelen gelijkgesteld moesten worden aan aankoop, zodat de vijfjaarstermijn voor aflopend aanmerkelijk belang anders moest worden toegepast.
De Hoge Raad bevestigde dat het aandeelhouderschap in de zin van de Wet pas ontstaat vanaf het moment van volstorting van de aandelen. Emissie en storting kunnen niet worden gelijkgesteld aan aankoop van aandelen. Dit betekent dat het aflopende aanmerkelijk belang pas vanaf dat moment loopt, en dat de latere verkoop van aandelen winst uit aanmerkelijk belang kan opleveren.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen van de belanghebbende en bevestigde het oordeel van het hof. Hiermee werd de aanslag winst uit aanmerkelijk belang gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het aandeelhouderschap ontstaat pas bij volstorting van aandelen en emissie en storting worden niet gelijkgesteld aan aankoop.