ECLI:NL:PHR:1997:AA2249
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over deelnemingsvrijstelling en vergoeding bij beëindiging samenwerking in vennootschap
De zaak betreft een cassatieberoep van X B.V. tegen een uitspraak van het Hof Arnhem over de fiscale behandeling van een vergoeding van ƒ 250.000,- betaald aan A BA bij beëindiging van een samenwerking en overdracht van aandelen in B B.V. X B.V. was medeoprichter en aandeelhouder van B B.V. en had zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een rekening-courantkrediet van B B.V. bij de Rabobank. Het Hof oordeelde dat de vergoeding voortvloeit uit het aandeelhouderschap en derhalve onder de deelnemingsvrijstelling valt, waardoor deze niet in mindering gebracht kan worden op de belastbare winst.
In cassatie betoogde X B.V. dat zij handelde als financier en niet als aandeelhouder en dat de vergoeding daarom niet als voordeel uit hoofde van de deelneming moet worden aangemerkt. De Hoge Raad overwoog dat de aansprakelijkheid en de betaling in beginsel samenhangen met het aandeelhouderschap, zeker indien de aansprakelijkheid is aanvaard als medeoprichter en toekomstig aandeelhouder. Het Hof heeft dit op feitelijke gronden vastgesteld en dat oordeel is niet in cassatie te toetsen.
De Hoge Raad bevestigt dat kosten en verliezen die rechtstreeks voortvloeien uit het aandeelhouderschap als (negatieve) voordelen uit hoofde van de deelneming moeten worden beschouwd. De vergoeding van ƒ 250.000,- is een eenmalig vermogensverlies en geen lopende kosten, en valt daarom niet onder de aftrekbare kosten. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
De uitspraak geeft een nadere invulling aan het begrip 'voordelen uit hoofde van een deelneming' binnen de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en bevestigt de strikte causaliteitseis tussen aandeelhouderschap en het genoten voordeel of geleden nadeel.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vergoeding van ƒ 250.000,- als voordeel uit hoofde van de deelneming moet worden aangemerkt en niet in mindering gebracht kan worden op de belastbare winst.