ECLI:NL:PHR:1997:AA2205
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over tijdsevenredige berekening overschotheffing meststoffenwet 1991
Belanghebbenden waren heffingplichtig voor overschotheffing meststoffenwet over de periode 24 oktober tot en met 31 december 1991. Zij hadden aangifte gedaan en bezwaar gemaakt tegen de berekening van de heffing, omdat het hof de heffing had gebaseerd op de landbouwgrond op de laatste teldatum 1 oktober, terwijl zij gedurende het tijdvak meer grond tot hun bedrijf hadden.
De Hoge Raad stelt vast dat de wet voorschrijft dat de heffing tijdsevenredig moet worden toegepast, maar niet expliciet regelt hoe met wisselende grondoppervlakten binnen het tijdvak moet worden omgegaan. De minister had via het aangifteformulier een systeem van vaste teldata ingevoerd, maar dit was niet gebaseerd op wettelijke bevoegdheid en strookte niet met het uitgangspunt van tijdsevenredigheid.
De Hoge Raad concludeert dat de berekening van de overschotheffing moet uitgaan van de gemiddelde hoeveelheid landbouwgrond die gedurende het heffingstijdvak tot het bedrijf behoorde, berekend over het aantal dagen van het tijdvak. Het hof had de heffing ten onrechte berekend zonder rekening te houden met deze gemiddelde grondoppervlakte.
De uitspraak van het hof wordt ambtshalve vernietigd en de heffing verminderd tot een bedrag dat overeenkomt met de juiste tijdsevenredige berekening. Hiermee wordt bevestigd dat de minister niet zonder wettelijke grondslag kan afwijken van het tijdsevenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van de overschotheffing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hof en stelt dat de overschotheffing moet worden berekend op basis van de gemiddelde landbouwgrond gedurende het heffingstijdvak.