ECLI:NL:PHR:1997:28

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 1997
Publicatiedatum
21 april 2021
Zaaknummer
5064
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Rechters
  • M.J. van der Meer
  • P. de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herzieningsverzoek in strafzaak wegens dealen in harddrugs

In deze zaak heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 9 juni 1994 de aanvrager veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en drie maanden wegens het dealen in harddrugs. Het cassatieberoep tegen dit arrest is op 20 juni 1995 verworpen. Namens de aanvrager heeft mr. J. Groen, advocaat te 's-Gravenhage, een herzieningsverzoek ingediend. Dit verzoek is gebaseerd op een novum, waarbij gesteld wordt dat de aanvrager waarschijnlijk zou zijn vrijgesproken indien het hof bekend was geweest met de inhoud van de thans overgelegde verklaringen van getuigen. Deze verklaringen zijn in tegenspraak met de eerdere verklaringen die door het hof als bewijs zijn gebruikt.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de aanvrage tot herziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit is gebaseerd op het feit dat de aanvrage niet aannemelijk maakt dat de getuigen op hun belastende verklaringen zijn teruggekomen. De getuigen hebben eerder al bij hun verhoor door de rechter-commissaris hun verklaringen herzien, en de redenen die zij nu opgeven voor het wijzigen van hun eerdere verklaringen worden als onaannemelijk beschouwd. Bovendien is er geen grond om aan te nemen dat de eerdere verklaringen onjuist zijn, waardoor er geen sprake is van een omstandigheid in de zin van artikel 457 lid 1 sub 2° van het Wetboek van Strafvordering.

De Procureur-Generaal concludeert dat de aanvrage tot herziening niet kan worden toegewezen, omdat de aanvrager niet voldoet aan de eisen die aan een herzieningsverzoek worden gesteld. De zaak illustreert de strikte voorwaarden waaronder herziening van een strafzaak mogelijk is, en benadrukt het belang van consistente getuigenverklaringen in het strafrechtelijke proces.

Conclusie

Nr. 5064 Herz.
Parket, 28 februari 1997
Mr Van Dorst
Conclusie inzake:
[aanvrager]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft aanvrager bij arrest van 9 juni 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en drie maanden wegens het dealen in harddrugs. Het cassatieberoep tegen dit arrest is op 20 juni 1995 verworpen.
2. Namens aanvrager heeft mr J. Groen, advocaat te 's-Gravenhage, een herzieningsverzoek ingediend.
3. De aanvrage beroept zich op een novum. Gesteld wordt dat aanvrager waarschijnlijk zou zijn vrijgesproken indien het hof bekend was geweest met de inhoud der thans overgelegde verklaringen. Deze verklaringen zijn afkomstig van een aantal personen die destijds tegenover de politie hebben verklaard dat verzoeker handelde in harddrugs; laatstbedoelde verklaringen zijn door het hof tot bewijs gebezigd. De thans overgelegde verklaringen houden naar de kern het tegendeel in.
4. De aanvrage miskent dat in een geval als het onderhavige de eis geldt
‘’dat een aanvrager bij een aanvrage tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom getuigen op een hem belastende verklaring terugkomen’’
aldus HR 14 november 1995, nr. 4926; zie ook HR DD 81.373, HR 22 februari 1994, nr. 4838, alsmede Strijards, Revisie, blz. 186. De thans door de getuigen opgegeven redenen voor het wijzigen van hun eerdere belastende verklaringen zijn naar mijn mening onaannemelijk. Opmerking verdient dat de aanvrage onvermeld laat dat de getuige [getuige 1] zijn eerdere verklaring nog heeft bevestigd bij zijn verhoor door de rechter-commissaris. En dan laat ik de vragen die de mededeling van de getuige [getuige 2], dat verzoeker hem niet onder druk heeft gezet om zijn verklaring te veranderen, zou kunnen oproepen maar voor wat ze zijn. Er is dus geen grond om aan te nemen dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen onjuist zijn. Reeds daarom is er geen sprake van een omstandigheid in de zin van art. 457 lid 1 sub 2° Sv.
5. Voorts ziet de aanvrage eraan voorbij dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] al bij hun verhoor door de rechter-commissaris zijn teruggekomen op hun tegenover de politie afgelegde verklaring voor zover aanvrager daardoor werd belast. Voorts moge ik verwijzen naar hetgeen de raadsman in hoger beroep heeft betoogd omtrent de mogelijkheid van een persoonsverwisseling. Tegen deze achtergrond bezien kan niet worden gezegd dat het thans door deze getuigen aangevoerde niet bekend was aan het hof. In zoverre wordt er geen novum gepresenteerd.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de aanvrage tot herziening.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,