ECLI:NL:PHR:1997:16

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 1997
Publicatiedatum
2 december 2019
Zaaknummer
5046
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 WMSrArt. 2 Wet gewetensbezwaren militaire dienstArt. 457 lid 1 sub 2 SvArt. 465 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening militaire zaak wegens erkenning gewetensbezwaren dienstweigering

Op 11 oktober 1993 maakte de aanvrager zich schuldig aan overtreding van art. 139 Wetboek Pro van Militair Strafrecht (dienstweigering). Hij werd in hoger beroep veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem en het cassatieberoep werd door de Hoge Raad verworpen op 25 juni 1996.

Na het arrest van de Hoge Raad erkende de Minister van Defensie de aanvrager op 14 mei 1996 als gewetensbezwaarde in de zin van art. 2 Wet Pro gewetensbezwaren militaire dienst. Deze erkenning vormde een omstandigheid die, indien bekend geweest vóór het arrest, tot vernietiging van het arrest en niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie had geleid.

De Hoge Raad oordeelt dat dit een omstandigheid betreft die zich na het arrest heeft voorgedaan, maar die toch aanleiding geeft tot herziening. De Hoge Raad verklaart daarom de aanvraag gegrond en verklaart de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn vervolging, waarbij de zaak zelf wordt afgedaan zonder nader feitenonderzoek.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens erkenning van gewetensbezwaren.

Conclusie

Nr. 5046 Herz.
Parket, 1 april 1997
Mr Fokkens
Conclusie inzake:
[aanvrager]
Edelhoogachtbaar College,
1. Op 11 oktober 1993 heeft aanvrager zich schuldig gemaakt aan overtreding van art. 139 Wetboek Pro van Militair Strafrecht; hij werd hiervoor in hoger beroep bij arrest van 28 maart 1995 veroordeeld door de militaire kamer van het Gerechtshof te Arnhem en het cassatieberoep daartegen werd op 25 juni 1996 door de Hoge Raad verworpen.
2. Thans wordt herziening aangevraagd op de grond dat de Minister van Defensie aanvrager op 14 mei 1996, dus voordat de Hoge Raad in deze zaak arrest heeft gewezen, heeft erkend als gewetensbezwaarde.
3. Het betreft hier een omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat het arrest waarvan herziening wordt verzocht, is gewezen. In het algemeen kunnen dergelijke omstandigheden niet tot herziening leiden, maar nu het hier gaat om een omstandigheid die, indien deze Uw Raad bekend was geweest, zou hebben geleid tot vernietiging van ’s hofs arrest en niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in zijn vervolging, is dat anders. Vgl. HR NJ 1987, 865 voor een vergelijkbaar geval. Zie ook de kritische kanttekeningen van Strijards, Revisie p. 151-152 bij dat arrest. Uw Raad kan de zaak, evenals in NJ 1987, 865 het geval was, zelf afdoen door de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging. Een nader onderzoek naar de feiten is immers niet nodig.
Gelet op het voorafgaande meen ik dat de aanvrage ontvankelijk is. Ik concludeer daarom dat Uw Raad de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal bevelen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,