ECLI:NL:PHR:1996:AA1920
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vereiste koninklijke goedkeuring voor aanwijzingsbesluit parkeervergunningen
In deze zaak staat centraal of het aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad, dat de gebieden aanwijst waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend, deel uitmaakt van de parkeerbelastingverordening en daarmee onderworpen is aan de vereiste koninklijke goedkeuring. Belanghebbende had parkeergeld betaald voor vergunningen, maar stelde dat de besluiten niet rechtsgeldig waren vanwege het ontbreken van deze goedkeuring.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het aanwijzingsbesluit essentieel is voor de heffing en invordering van parkeergeld en daarom als onderdeel van de belastingverordening moet worden beschouwd. Dit betekent dat het besluit afzonderlijke koninklijke goedkeuring behoeft, welke in dit geval niet was verkregen. De gemeente voerde aan dat het aanwijzingsbesluit samen met de verordening was goedgekeurd, maar de Hoge Raad verwierp dit standpunt omdat het goedkeuringsbesluit niet expliciet het aanwijzingsbesluit vermeldde.
De Hoge Raad bevestigde dat de gemeenteraad de bevoegdheid heeft om parkeergebieden aan te wijzen, maar dat dit besluit niet aan burgemeester en wethouders kan worden gedelegeerd. De vereiste van koninklijke goedkeuring is strikt en kan niet worden omzeild door samenvoeging van besluiten zonder duidelijke aanwijzing in het goedkeuringsbesluit. Het beroep van de gemeente werd verworpen en het hofvonnis bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het aanwijzingsbesluit is niet rechtsgeldig wegens het ontbreken van koninklijke goedkeuring.