ECLI:NL:PHR:1996:AA1869
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over loonbelastingvrijstelling voor vergoedingen bijzondere kosten ziekte en invaliditeit
De zaak betreft een beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam waarin werd geoordeeld dat uitkeringen aan een werknemer ter dekking van bijzondere kosten wegens invaliditeit van diens kind niet tot het loon behoren en dus niet belast zijn met loonbelasting.
De werknemer ontving in 1988 en 1989 vergoedingen voor de aanschaf van een tweede auto geschikt voor rolstoelvervoer en voor het ophogen van de tuin, beide kosten gerelateerd aan de invaliditeit van zijn dochter. Het hof oordeelde dat deze uitgaven bijzondere kosten waren ter zake van invaliditeit en dat de vergoedingen daarvoor niet tot het loon behoorden.
De Hoge Raad bevestigt dat de beoordeling van bijzondere kosten in de loonbelastingregeling minder scherp kan zijn dan bij de inkomstenbelasting en dat de werkgever bij de beoordeling ruimte heeft om minder aangescherpte criteria te hanteren. Tevens wordt bevestigd dat voorzieningen die bestanddeel worden van de woning, zoals het ophogen van de tuin, niet leiden tot waardevermeerdering en dus als bijzondere kosten kunnen worden aangemerkt.
Het middel van de staatssecretaris faalt en het beroep wordt verworpen. De vergoedingen blijven vrijgesteld van loonbelasting omdat zij betrekking hebben op bijzondere kosten wegens invaliditeit en niet behoren tot het normale bestedingspatroon van vergelijkbare personen.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt verworpen en de vergoedingen voor bijzondere kosten wegens invaliditeit zijn vrijgesteld van loonbelasting.