ECLI:NL:PHR:1996:AA1827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt samenloopregeling invoerrecht en omzetbelasting bij invoer
In deze zaak stond de samenloop van rechtsmiddelen tussen invoerrecht en omzetbelasting centraal. Belanghebbende had een auto als bedrijfsauto aangegeven, maar de douaneambtenaar kwalificeerde deze als personenauto, waardoor hogere belastingen werden vastgesteld. De auto werd ter beschikking gesteld zonder dat de belasting was voldaan. De belanghebbende betaalde niet, waarna een uitnodiging tot betaling werd verzonden.
Het hof vernietigde de uitnodiging voor zover deze betrekking had op omzetbelasting en bijzondere verbruiksbelasting personenauto's (BVP). De staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad bevestigde dat op grond van art. 22 lid 4 Wet Pro OB 1968 hetgeen onherroepelijk is vastgesteld omtrent het invoerrecht ook geldt voor de omzetbelasting en BVP. Daarbij is vereist dat een rechtsgeldige beslissing van de inspecteur of Tariefcommissie is genomen.
De Hoge Raad oordeelde verder dat de uitnodiging tot betaling geen wettelijke basis heeft als navordering, omdat de belasting wel correct was vastgesteld maar niet betaald. De uitnodiging kan niet worden opgevat als een procedure op grond van art. 108 AWDA Pro. De beslissing van het hof om de uitnodiging te vernietigen werd niet onjuist bevonden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de staatssecretaris.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen en de vernietiging van de uitnodiging tot betaling door het hof bevestigd.