ECLI:NL:PHR:1995:AA1638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verdeling en overdrachtsbelasting bij gezamenlijke verkrijging van dubbel woonhuis
Belanghebbende en haar partner verkregen gezamenlijk een dubbel woonhuis, waarbij zij later via notariële akte het pand splitsen en verdelen in twee afzonderlijke woningen. De vraag was of deze handelingen civielrechtelijk een verdeling vormden en daarmee vrijgesteld waren van overdrachtsbelasting volgens art. 15 WBR Pro.
De Hoge Raad onderzocht de definitie van een verdeling conform art. 3:182 BW Pro en de civielrechtelijke afbakening van onroerende zaken. Het oordeel was dat de bouwkundige verbinding en het gezamenlijke gebruik ertoe leiden dat er één onroerende zaak en één gemeenschap bestaat, waardoor de splitsing niet automatisch leidt tot twee afzonderlijke onroerende zaken.
De rechtshandeling waarbij het pand werd verdeeld, leidde niet tot het einde van de onverdeeldheid voor beide woningen, zodat slechts gedeeltelijk sprake was van een verdeling. Het hof had daarom terecht geoordeeld dat overdrachtsbelasting verschuldigd was voor het deel B. Het cassatieberoep werd verworpen omdat het hof geen rechtsregel had geschonden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof dat overdrachtsbelasting verschuldigd is voor woning B wordt bevestigd.