Conclusie
aanstaandeechtgenoten bij huwelijksvoorwaarden rechtsgeldig — dit wil zeggen op de voet van art. 1:158 BW Pro en in weerwil van de nietigheidssanctie van art. 1:400 lid 2 BW Pro, waarop art. 1:158 BW Pro een uitzondering vormt — kunnen overeenkomen dat zij afzien van de volgens de wet na echtscheiding verschuldigde alimentatie. Het arrest is, in overeenstemming met de conclusie van A-G Franx, als volgt gemotiveerd:
middelaan dat voorzover 's hofs beschikking aldus moet worden verstaan dat ingevolge art. 8 EVRM Pro aanstaande echtgenoten (in casu de man en de vrouw) niet de vrijheid zouden hebben een overeenkomst te sluiten waarbij in geval van echtscheiding over en weer wordt afgezien van alimentatie, dit onjuist is in verband met hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 7 maart 1980 heeft overwogen. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van de beschikking van het hof. Het hof heeft geoordeeld dat de uitleg die de Hoge Raad in genoemd arrest aan art. 1:158 BW Pro heeft gegeven niet in strijd is met art. 8 EVRM Pro.
Middel IIverwijt het hof in r.o. 4.3.1 als datum van indiening van het verzoekschrift ter griffie te hebben vermeld 11 januari 1992 in plaats van 11 januari 1994. Daardoor zou het hof het door de man gestelde omtrent het aanvaarden door de vrouw van een werkkring niet hebben beoordeeld naar de situatie op en na 11 januari 1994. Het middel faalt. Het verkeerde jaartal berust op een kennelijke vergissing van het hof die geen invloed heeft gehad op zijn gedachten- en oordeelsvorming dat de vrouw tot eind 1992 geen reden had om een nieuwe baan te zoeken, dat de man daarop later ook niet heeft aangedrongen en dat vanwege de, al jaren bestaande en door de man niet ontkende psychische problemen, de vrouw ook thans — de beschikking van het hof dateert van 10 maart 1995 — geen betaalde werkzaamheden kan verrichten. Middel II loopt hierop in zijn geheel stuk.