Conclusie
Zij heeft betoogd dat zij in het proces niet alleen opkwam voor de belangen van haar (24) leden [3] , maar ook voor de belangen van niet-leden, nl. de uitvoerende kunstenaars en hun veelal buitenlandse fonogrammenproducenten.
Voorts volgt uit o.m. datzelfde arrest nog de voorwaarde dat de gebundelde belangen behoren tot de soort die valt onder de bescherming die art. 1401 (oud) BW bedoelt te bieden [11] .
Het hof heeft in r.o. 5 overwogen dat niet valt in te zien waarom de gestelde ongeoorloofde concurrentie een aparte onrechtmatige daad jegens NVPI zou opleveren.
In het geding is niet beslist dat die stelling zo evident onjuist is dat a priori vaststaat dat de belangen waarvoor de NVPI bescherming vraagt niet behoren tot de soort die valt onder de bescherming die art. 1401/6: 162 beoogt te bieden.
Om die redenen kan, aldus het hof, de NVPI niet uit eigen hoofde in haar vordering worden ontvangen.
Uit het bestreden arrest volgt (in ’s hofs benadering: begrijpelijkerwijs) niet dat het hof de NVPI niet representatief voor de belangen van haar eigen leden heeft geacht.
Art. 134 ziet Pro alleen op wijziging van de eis en de gronden waarop deze berust [20] .
- “een rechtspersoon “als de NVPI” (rechtspersonen in het algemeen wel, maar sommige niet?)
- “rechtens” (op grond van welke rechtsregel?).
Ik zou menen dat, als men aanneemt dat optreden in een rechtsgeding bij wege van zaakwaarneming in beginsel mogelijk is [24] , aan de voorwaarden voor toelating van een collectieve actie (zie hiervóór) en aan die voor zaakwaarneming [25] voldaan is, het antwoord op de door het hof ontkennend beantwoorde vraag bevestigend moet luiden.