Conclusie
Middel Iklaagt allereerst over onbegrijpelijkheid van 's hofs tussenbeschikking, voor zover het hof daarin de man heeft toegelaten tot bewijslevering op grond van de overgelegde verklaring van de dochter. Het hof zou zich geen rekenschap hebben gegeven van de onbetrouwbaarheid van de dochter, terwijl haar verklaring ook geen althans onvoldoende aanknopingspunten opleverde voor het probandum. Deze klacht faalt naar mijn mening, omdat het hof niet tot motivering van zijn desbetreffende beslissing was gehouden. Vgl. art. 828f jo art. 828h (in hoger beroep geldend krachtens art. 828i) Rv.
middel Ialsmede
middel IIIvoeren aan dat het hof het aanbod van de vrouw om zichzelf en haar twee zoons als getuigen te horen, niet had mogen passeren, daar dit passeren berust op een ontoelaatbare prognose omtrent de inhoud en waarde van de af te leggen getuigenverklaringen.
Middel IIklaagt erover dat het hof in de eindbeschikking heeft overwogen dat uit het door het hof onder 8 t/m 10 (lees: 5 t/m 7,
ASH) weergegevene de conclusie dient te worden getrokken dat de man is geslaagd in het door hem te leveren bewijs dat de vrouw vanaf 1 april 1989 met [betrokkene 1] samenwoont in de zin van art. 1:160 BW Pro. De inhoud van die overwegingen kan die conclusie volgens het middel niet dragen.