ECLI:NL:PHR:1993:17
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van omgangsregeling ondanks geschil over family-life en wijzigingsverzoek
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking inzake een wijzigingsverzoek van een omgangsregeling tussen een biologische vader en zijn kinderen, die inmiddels erkend en gewettigd zijn door een andere man. De verzoekers stelden dat de omgangsregeling onjuist was vastgesteld omdat de wettige vader niet was gehoord en omdat geen sprake was van een 'family-life' in de zin van artikel 8 EVRM Pro, waardoor de biologische vader geen recht op omgang zou hebben.
De rechtbank en het hof hadden de omgangsregeling gehandhaafd en de uitbreiding ervan afgewezen. Het hof oordeelde dat de bezwaren over het niet-gehoord zijn van de wettige vader geen wijzigingsgrond vormen en dat de biologische vader wel ontvankelijk was in zijn verzoek. Het hof vond dat er geen aanleiding was tot nader feitelijk onderzoek naar het ontbreken van een samenlevingsverband en family-life.
De Hoge Raad bevestigt dat omgangsregelingen gewijzigd kunnen worden op grond van onjuiste of onvolledige gegevens, maar oordeelt dat in dit geval de gestelde onjuistheden onvoldoende feitelijk zijn onderbouwd. Het cassatieberoep faalt omdat de verzoekers hun standpunten te laat en onvoldoende hebben onderbouwd. De Hoge Raad sluit aan bij het oordeel van het hof dat de biologische vader ontvankelijk is en dat de omgangsregeling terecht gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de omgangsregeling blijft gehandhaafd.