Conclusie
Zitting 12 juni 1992
Mr. C.L. de Vries Lentsch – Kostense
Conclusie inzake
Het eerste en het tweede middelonderdeelzijn gericht tegen de hiervoor onder 5 C weergegeven overweging van de Rechtbank dat van [verweerster] wel kan worden gevergd dat zij haar uiterste best doet om onder de gegeven omstandigheden de overlast voor de medebewoners tot een minimum te beperken.
eersteonderdeel wordt betoogd dat de Rechtbank aldus blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat de bestreden beslissing onbegrijpelijk is en niet voldoende gemotiveerd, omdat niet valt in te zien waarom van [verweerster] niet kan worden gevergd dat zij zich onthoudt van gedragingen die overlast bezorgen aan medebewoners of derden nu van [verweerster] valt te verwachten dat zij haar leefpatroon zodanig aanpast dat van overlast geen sprake meer is.
tweedeonderdeel wordt gesteld dat het in het eerste onderdeel betoogde eens temeer geldt gezien de contractuele bepaling dat de huurder zich onthoudt van gedragingen die overlast bezorgen.
ernstigeoverlast aanvaardbaar is. Ik verwijs hier naar het arrest van Uw Raad van 17 december 1982 (NJ 1983,511) en naar Asser-Abas (Huur), 1990, nrs. 37 en 215-218 (met verdere verwijzingen). De regel dat van ernstige overlast sprake moet zijn wil het verstrekkende middel van ontbinding geoorloofd zijn, strookt geheel met hetgeen ook geldt voor de algemene bepalingen van art. 1302 oud Pro BW en art. 6:265 BW Pro. Zie hierover Asser- Hartkamp II, 1989, nr.516.
Het derde middelonderdeelis gericht tegen de onder 5 D a weergegeven overweging van de Rechtbank dat de gestelde geluidsoverlast in de allereerste plaats betrekking heeft op "woongeluiden". Het middelonderdeel stelt dat deze overweging onbegrijpelijk is indien zij aldus begrepen zou moeten worden dat de klachten in het bijzonder betrekking hebben op "woongeluiden". Ter toelichting wordt in dit verband vermeld dat de Rechtbank niet kon volstaan met de constatering dat de gestelde geluidsoverlast in de allereerste plaats betrekking heeft op "woongeluiden".
Het vierde middelonderdeelricht zich tegen de onder 5 D b weergegeven overweging van de Rechtbank dat de geluidsoverlast betrekking heeft op geluiden van buiten, afkomstig van derden over wie [verweerster] geen zeggenschap heeft en van wie zij gedeeltelijk afhankelijk is. Betoogd wordt dat deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel van onvoldoende motivering indien de Rechtbank hier tot uitdrukking heeft willen brengen dat de geluidsoverlast veroorzaakt door bezoekers van de huurder, in een geschil als het onderhavige de huurder niet kan worden verweten.
Het vijfde en het zesde onderdeelkomen op tegen de onder 5 D c aangehaalde overweging dat het op de weg van de Woningvereniging had gelegen te bezien of [verweerster] in staat en bereid was een zodanig leefpatroon te voeren dat zij aan de medebewoners geen overlast zou bezorgen, en tegen de daaraan verbonden conclusie dat [verweerster] ervan mocht uitgaan dat de Woningvereniging haar een zodanig huurgenot zou verstrekken dat zij haar leven voort kon zetten op de wijze die zij gewend was. In het
vijfdeonderdeel wordt betoogd dat deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende duidelijk gemotiveerd is, omdat van een huurder mag worden gevergd dat deze zich onthoudt van gedragingen die overlast bezorgen aan medebewoners, ook indien zulks een breuk zou opleveren met een voorheen gehanteerd leefpatroon en ook indien de verhuurster terzake geen onderzoek heeft ingesteld. In het
zesdeonderdeel wordt betoogd dat de bestreden overweging onbegrijpelijk is voor zover de Rechtbank ter ondersteuning van haar redenering een beroep doet op de omstandigheid dat de Woningvereniging het probleem van de gehorigheid kende, wist dat [verweerster] aan een rolstoel gebonden was, alsmede bekend was met het grote leeftijdsverschil tussen [verweerster] en haar naaste buren, aangezien ook die omstandigheden niet rechtvaardigen dat overlast wordt veroorzaakt.
Het zevende onderdeelmist zelfstandige betekenis.