Conclusie
Rek. nr. 8108
Parket, 25 augustus 1992
onderdeel 1, dat geen klacht bevat, betoogt
onderdeel 2van het middel dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van art. 7A:1623e lid 1 sub 3° BW door de dringendheid van het door [verzoekster] voorgenomen eigen gebruik van het verhuurde afzonderlijk te beoordelen, zonder daarbij rekening te houden met de (naar [verzoekster] had aangevoerd: geringe) mate waarin het echtpaar [verweerder] belang heeft bij het verhuurde. Volgens het middelonderdeel volgt uit de wetstekst en de wetsgeschiedenis dat de mate van dringendheid van de eigen behoefte van de verhuurder aan gebruik van het verhuurde niet een absoluut en op zichzelf te beschouwen gegeven is, maar dat met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen moet worden beoordeeld of de behoefte van de verhuurder zo dringend is, dat aan de vereisten voor een beroep op het onderhavige wetsartikel is voldaan.
Onderdeel 3komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [verzoekster] gestelde behoefte aan eigen gebruik van het verhuurde niet als dringend kan worden aangemerkt.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.
bij de Hoge Raad der Nederlanden,