AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onrechtmatige overheidsdaad door provincie bij aanbesteding met aansluitingseis
De provincie Zeeland stelde in 1985 bij een aanbesteding voor onderhoudswerk aan provinciale wegen de eis dat alleen bedrijven aangesloten bij de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid in aanmerking kwamen. Verweerder, die aangesloten was bij een andere bedrijfsvereniging en de laagste inschrijver was, kreeg de opdracht niet gegund. Na een kort geding en bodemprocedure oordeelde de rechtbank dat de provincie onrechtmatig had gehandeld door deze late eis te stellen, maar wees de schadevergoeding af wegens gebrek aan bewijs. Het hof stelde de onrechtmatigheid vast en veroordeelde de provincie tot schadevergoeding.
De provincie stelde cassatieberoep in en voerde aan dat toetsing van overheidshandelen op privaatrechtelijk terrein slechts marginaal zou moeten zijn en dat de aansluitingseis in het algemeen gesteld mocht worden. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook in de precontractuele sfeer gelden en dat de toetsing niet marginaal is. De provincie had onzorgvuldig gehandeld door de eis laat en specifiek jegens verweerder te stellen, waardoor onrechtmatig handelen was vastgesteld.
De Hoge Raad benadrukte dat het handelen van de overheid in strijd met algemene beginselen, zoals het gelijkheidsbeginsel, een onrechtmatige daad kan opleveren. De uitspraak bevestigt de reikwijdte van de a.b.b.b. in privaatrechtelijke relaties met de overheid en de zorgvuldigheid die daarbij vereist is.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de provincie wordt verworpen en de onrechtmatigheid van het handelen wordt bevestigd.
Voetnoten
1.Zie ed. S. & J. 133 (Organisatiewet Sociale Verzekering), 1990, p. 17. In de stukken wordt ook gesproken van de Bedrijfsvereniging Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid en de Bedrijfsvereniging Agrarisch Sociaal Fonds.
2.Pleitnota van de raadsman van de provincie in eerste aanleg, p. 2, en in hoger beroep, p. 1, m.v.a., p. 2; zie ook prod. 3 bij akte-verzoek zitting rechtbank Middelburg 3 dec. 1986.
3.Zie het vonnis van de president van de rechtbank te Middelburg d.d. 12 nov. 1986, prod. 1 bij in de vorige noot genoemd akte-verzoek.
4.HR 22 maart 1987, NJ 1987, 727, m.nt. M. Scheltema, AB 1987, 273, m.nt. F.H. v.d. Burg.
5.Zie daarover: M. Dolman, NTB 1990, p. 270 e.v.
6.D.E. van Werven in P. de Haan c.s., Bouwrecht in kort bestek, 1990, p. 200, verwijzend naar het arrest Baris/Riezenkamp (HR 15 nov. 1957, NJ 1958, 67, m.nt. L.E.H. Rutten; zie voorts J.W. van Nouhuys, preadv. Ver. v. Bouwrecht, 1986, p. 43.
7.Vgl. Asser-Hartkamp, De verbintenis uit de wet (Asser 4-III), 1990, nr. 290a, p. 252. Zie voorts M.Scheltema in zijn noot in de NJ onder het arrest Amsterdam/Ikon en in Bestuursrecht en NBW (JUVAT-bundel, 1988), nrs. 4-5, p. 45-47; W. Snijders in diezelfde bundel, nr. 2.3., p. 55-56; W.G. Huygen, Aansprakelijkheid van de overheid, diss. RUL, 1991, p. 49.
8.P. Nicolai, Beginselen van behoorlijk bestuur, diss. U.v.A., 1990, § 223, p. 253. Vgl. ook: Van Wijk/Konijnenbelt, Hoofdstukken, 1990, p. 71.
9.T.M. op art. 6.3.1.1., Parl. gesch. Boek 6 BW, p. 615.
10.M.v.a., ad grief IV in het principaal appel.
11.Voor welk geval verdedigd is dat contractsweigering onrechtmatig is (W.J. Slagter, preadv. Ver. v. Bouwrecht, 1986, p. 136).