Conclusie
Nr. 14.568
Zitting 28 februari 1992
Uit de stukken van het geding valt af te leiden dat [C] vooral bezwaar maakt tegen de verandering in de concurrentieverhoudingen die door het verschijnen van [eiseres 2] zou intreden: deze werkt niet volgens de [A] -formule, haar zaak is een zg. Juitibo-zaak, die zich kenmerkt door een agressievere aanpak wat betreft prijzen, aankleding, reclame enz. Zie produkties bij concl.v.antw. in prima; incid. concl. tot voeging [C] in appel.
De rb. stelt voorts vast (r.o. 27) dat [eiseres 1] tot de levering aan [eiseres 2] op 1 juni 1987 juridisch noch economisch eigenares van het bedrijf was. De werknemers waren niet bij haar in dienst en zij oefende op geen enkel moment het bedrijf uit voor eigen rekening en risico.
Die stelling is, in deze scherpe vorm, in de jurisprudentie van de HR niet te vinden. Bovendien kan men zich afvragen of die stelling wel beslissend zou zijn voor de uitlegging van art. 1635, waar een bijzondere rechtsfiguur aan de orde is: huuroverneming in verband met de bedrijfsovergang, los van de wensen van de verhuurder. Daarvoor is slechts in de Pachtwet een duidelijke parallel te vinden (art. 49 e.v.); misschien is een wat meer verwijderde parallel aanwezig bij de arbeidsovereenkomst (art. 1639 aa Pro e.v.). Deze drie gevallen hebben echter een element gemeen: het gaat in alledrie om de consequenties van bedrijfs- overgang voor duurcontracten, consequenties die de verhuurder- verpachter-werkgever in een aantal gevallen niet kan tegenhouden: zijn instemming is niet vereist. Daarom zou men misschien ook wel kunnen volhouden dat de rechtsfiguur van art. 1635 past Pro in een algemeen stramien.
Enig materiaal is te vinden bij W.A.P. Smit, Huurrecht bedrijfsruimten (4e dr. 1989) p. 129-133. Hij meent in de eerste plaats dat de vennootschap-huurster indeplaatsstelling kan vorderen wanneer een dochtermaatschappij het bedrijf uitoefent; de laatste is dan z.i. als materiele contractspartij aan te merken. Hij wijst er in de tweede plaats op dat bij de bedrijfsoverdracht sprake moet zijn van continuïteit in de bedrijfsuitoefening: van voortzetting van hetzelfde bedrijf kan geen sprake zijn als de in de plaats te stellen huurder in een andere branche werkzaam is.
De organisatievormen in de detailhandel zijn de laatste decennia sterk uitgewaaierd. Er is nog altijd, aan de ene kant, de geheel zelfstandige middenstander die zijn produkten uit verschillende bronnen betrekt en geen enkele bijzondere band heeft met zijn leveranciers en, aan de andere kant, het grootwinkelbedrijf dat op verschillende plaatsen onzelfstandige filialen inricht. Maar tussen deze beide uitersten hebben zich allerlei tussenvormen ontwikkeld: relaties die vergelijkbaar zijn met de zg. brouwerijcontracten, waarbij een vaste of exclusieve groothandelaar tevens verhuurder van het bedrijfspand is; franchise-contracten waarbij de detailhandelaar geheel zelfstandig blijft maar naar buiten toe - in opmaak, handelsnaam, merken etc. - laat blijken artikelen van de franchisegever te verhandelen of althans diens marketing concept te volgen; daarnaast bestaan nog lossere organisatievormen, zoals de [A] -formule die in dit geding een rol speelt.
Daarbij valt aan te tekenen dat franchising zich in sterk verschillende vormen kan voordoen: soms gaat zij bv. gepaard met licenties van industriële-eigendomsrechten, soms niet; soms is zij verweven met exclusiviteitsovereenkomsten, maar noodzakelijk is dat niet. Ook de mate waarin de detailhandelaar zich verplicht de af te zetten goederen bij de franchisegever, of diens nevenondernemingen, te betrekken, of om leiding van de franchisegever bij de organisatie en de bedrijfsvoering te accepteren, is zeer ongelijk. Essentieel is slechts dat de presentatie naar de consument toe duidelijk maakt dat de detailhandelaar deel uitmaakt van een bepaalde keten. Zie F.W.J. Schalen, Franchising, een nieuw perspectief (2e dr. 1988) hfdst. 2; L.O.M. Aelen SEW 1990 p. 3; H.G.A.J. Janssen Bedrijfsjur. berichten 1990 no. 4.
De verscheidenheid van vormen heeft ook invloed op de huur van het verkooppunt. Het is bv. mogelijk dat de franchisegever hoofdhuurder is en het pand onderverhuurt aan de detailhandelaar (Schalen p. 97). Het komt daarnaast voor dat de franchisegever een voorkeursrecht kan uitoefenen bij verkoop van het bedrijf (Schalen p. 98); hij zal dan waarschijnlijk het bedrijf proberen over te doen aan een andere detailhandelaar-franchisenemer - een situatie die enigszins vergelijkbaar is met die in het thans te berechten geval.