Conclusie
NR. 14.317
Zitting 7 juni 1991
Nr. 14.317
Zitting 7 juni 1991
Mr. Koopmans
Conclusie inzake
- een beroep op een clausule in de huurovereenkomst met [verweerster] van gelijke strekking als art. 1592 BW Pro (r.o. 9);
- een beroep op de omstandigheid dat de door [verweerster] gestelde overlast in rechte niet zou kunnen worden bewezen (r.o. 10);
- de stelling dat het op de weg van [verweerster] zelf had gelegen om in rechte op te treden tegen [betrokkene 1] (r.o. 11).
De onderdelen II, III en IV van het middel komen respectievelijk op deze drie verweren terug, terwijl onderdeel I de algemene gedachtengang van de rb. (in r.o. 8) tot doelwit heeft.
De verhouding tussen de beide wetsartikelen wordt uitvoerig besproken in concl. Mr. Asser bij HR 5 okt. 1990 (hiervoor geciteerd), no. 2.4-2.22, met aanhaling van rechtspraak en literatuur. Hij komt tot de slotsom - een slotsom die ik voor mijn rekening neem - dat de jurisprudentie de neiging vertoont om art. 1592 BW Pro niet meer aldus uit te leggen dat het de verhuurder vrijwaart van elke aanspraak van de huurder ter zake van stoornis door derden, met name niet indien die derden omwonenden zijn en huurders van dezelfde verhuurder. De tegenkant daarvan is dat art. 1586, onder 3°, BW meebrengt dat de verhuurder instaat voor storende oorzaken die binnen zijn bereik liggen, in die zin dat deze verplichting nader door de eisen van redelijkheid en billijkheid wordt bepaald. Zie ook Asser-Abas (5-II, Huur, 7e dr. 1990) no. 27 en no. 37.
Onderzoek verdient daarentegen de dubbele vraag in welke omstandigheden van de huurder kan worden gevergd dat hij zelf actie onderneemt tegen zijn overlast veroorzakende medehuurder, en wanneer het in de lijn ligt dat de verhuurder optreedt.
Onderdeel IV brengt daartegen in dat [verweerster] in kort geding rechtstreeks ontruiming van de gehuurde woning door [betrokkene 1] had kunnen vorderen. Door deze mogelijkheid niet onder het oog te zien zou de rb. onjuist hebben geoordeeld althans haar oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd.
Er zijn op dit punt uitspraken in kort geding in verschillende zin. Pres. Den Haag 7 okt. 1986 KG 1986 no. 484 verklaarde de huurder niet ontvankelijk omdat de ontruimingsvordering hem niet toekwam, terwijl Pres. Amsterdam 28 juni 1985 KG 1985 no. 211 (Prg. 2360) meende dat voor een "zo krasse maatregel” slechts plaats is als alle andere pogingen tot normalisering hebben gefaald. De ontruimingsvordering van de huurder werd toegewezen door Pres. Amsterdam 19 feb. 1981 KG 1981 no. 16; Pres. Amsterdam 31 okt. 1985 Prg. 2392; en Pres. Arnhem 19 mei 1987 Woonrecht 1987 no. 117. In elk van die drie gevallen waren omstandigheden aanwezig van buitengewone aard. In het geval van 1981 had de verhuurder reeds de huur aan de overlast veroorzakende medehuurder opgezegd en hem ontruiming aangezegd; de huurder vroeg daarop ontruiming hangende het geding over het beroep van de medehuurder op huurbescherming. De toewijzing van de vordering in kort geding maakte hier typisch deel uit van de ordenende taak die de president toekomt tijdens de loop van procedures. In de gevallen van 1985 en 1987 was sprake van extreme vormen van burentwist en overlast. In het eerste was de politie reeds vaak bij het conflict betrokken geweest; de huurder was met geweld bedreigd (zelfs met de dood); de medehuurder ging zich te buiten aan alcoholmisbruik; de verhuurder bleef ondanks aanmaning passief. In het Arnhemse geval was eerder reeds een verbod in kort geding uitgesproken; dwangsommen waren verbeurd; politie en maatschappelijk werk hadden zich ermee bemoeid; er was overleg geweest met de verhuurder. In beide gevallen greep de president derhalve in wegens een acute noodsituatie.
Men hoeft het negatieve oordeel van Stein niet te delen om toch te menen dat enige voorzichtigheid geboden is bij veroordelingen tot ontruiming buiten de verhuurder om; deze blijft tenslotte met de consequenties zitten. Uit de aangehaalde rechtspraak blijkt echter dat er situaties zijn waarin het moeilijk anders kan. De vraag wanneer de president in kort geding termen aanwezig kan achten voor dit ingrijpen is dan ook sterk feitelijk gekleurd. Dat geldt evenzeer voor overwegingen om niet tot zulk ingrijpen over te gaan. Sommige daarvan laten zich overigens moeilijk uitspellen: men denke aan burenruzies in zwak-sociale milieus, waar optreden van huurders tegen elkaar tot een soort burgeroorlog in het trappenhuis kan leiden. De procedure in kort geding leent zich ertoe dat met dergelijke faktoren rekening wordt gehouden.
Voor de onderhavige zaak leid ik hieruit af dat de rb. niet uitdrukkelijk hoefde te verantwoorden waarom zij de mogelijkheid van een ontruimingsvordering van huurder tegen medehuurder niet aanwezig achtte. Dat zou slechts anders zijn geweest als de gemeente feiten had gesteld waaruit bleek dat de bijzondere omstandigheden van het geval zulk optreden van de huurder onontkoombaar maakten; dat is i.c. evenwel niet geschied.
Met het lot van de onderdelen II en IV is ook dat van de algemene klacht uit onderdeel I bezegeld. Ook daarin wordt er van uitgegaan dat geen schade door overlast zou zijn ontstaan wanneer [verweerster] zelf maatregelen tegen [betrokkene 1] had getroffen. Die klacht stuit gedeeltelijk af op hetgeen de rb. overweegt in r.o. 11, gedeeltelijk op hetgeen hiervoor (in no. 9) over de rechtstreekse ontruimingsactie werd opgemerkt.
Hierover valt in de eerste plaats op te merken dat het oordeel van de rb. in het licht van de gedingstukken geenszins onbegrijpelijk is. In verschillende brieven aan de gemeente, die in eerste aanleg zijn overgelegd (9 apr. 1985, prod. bij concl.v.antw.; 30 nov. 1985, prod. bij concl.v. repl.), heeft [verweerster] getuigen genoemd, of medegedeeld dat er "talloze getuigen" van incidenten waren. In appel heeft zij zelfs een dagboek in het geding gebracht dat haar vriend en zij over de verschillende incidenten hebben bijgehouden; bij elk incident wordt vermeld welke getuigen er waren (prod.3°
Men dient in de tweede plaats aan te nemen dat op de verhuurder die geconfronteerd wordt met klachten van een huurder over ernstige overlast door een medehuurder, een onderzoeksplicht rust. Uit het geciteerde arrest van 1990 volgt dat het, gegeven de aard van de klachten van de huurder, op de weg van de verhuurder kan liggen om, alvorens maatregelen tegen de overlast te treffen, een "grondig onderzoek” in te stellen. De klacht van het onderdeel dat zo'n plicht niet op de verhuurder ligt, ook niet indien bij herhaling wordt geklaagd, stuit daarop af. Bij herhaalde klachten over overlast ligt het nl., zoals de rb. terecht oordeelt, juist op de weg van de verhuurder om een onderzoek in te stellen.
Onderdeel III faalt daarom.
bij de Hoge Raad der Nederlanden,