ECLI:NL:PHR:1991:16
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtspositie schuldeiser na homologatie akkoord in surseance van betaling
Deze zaak betreft de rechtspositie van een schuldeiser na homologatie van een akkoord in een surseance van betaling. Comtu B.V. had een vordering ingediend wegens geleverde goederen en diensten, waarvan slechts 2,5% werd voldaan na homologatie van het akkoord. Het hof oordeelde dat de resterende 97,5% van de vordering niet teniet was gegaan, maar voortbestond als natuurlijke verbintenis en vatbaar was voor compensatie.
De Hoge Raad bevestigt dat na homologatie van het akkoord een natuurlijke verbintenis blijft bestaan voor het niet-voldane gedeelte van de erkende vorderingen. De kwijting in het akkoord moet worden opgevat als afstand van het verhaalsrecht en niet als kwijtschelding in de zin van het Burgerlijk Wetboek. De resterende vordering kan door de schuldenaar worden gecompenseerd, maar de schuldeiser kan geen nakoming afdwingen.
Voorts oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte de opeisbaarheidseis heeft losgelaten op grond van redelijkheid en billijkheid, waarmee het hof wettelijke regels heeft genegeerd. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het hof Den Bosch voor verdere afhandeling van de reconventionele vordering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, bevestigt dat na homologatie van het akkoord de resterende vordering voortbestaat als natuurlijke verbintenis en vatbaar is voor compensatie onder strikte wettelijke voorwaarden.