Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:1990:AD6609

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 april 1990
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13.96
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid president rechtbank tot oplegging dwangsom niet ambtshalve

Eiser heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin onder meer de oplegging van een dwangsom door de president van de rechtbank werd bekrachtigd. Het cassatiemiddel richt zich specifiek tegen de uitleg van art. 611a Rv, dat voortkomt uit de Eenvormige Wet Dwangsom behorende bij een Benelux-overeenkomst.

De Hoge Raad overweegt dat het ambtshalve opleggen van een dwangsom niet is toegestaan, ook niet door de president van de rechtbank, en dat dit reeds onder de oude regeling niet mogelijk was. De wetgever heeft bij de nieuwe regeling van 1977 expliciet bepaald dat een dwangsom niet ambtshalve kan worden opgelegd. De Hoge Raad concludeert dat het bestreden arrest voor zover het de dwangsom oplegging bekrachtigt, vernietigd moet worden.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding om een prejudiciële vraag aan het Beneluxhof te stellen over de uitleg van de Eenvormige Wet Dwangsom. Het middel wordt gegrond verklaard en de zaak wordt door de Hoge Raad zelf afgedaan door vernietiging van de dwangsomoplegging.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de ambtshalve oplegging van een dwangsom door de president van de rechtbank bekrachtigt.

Conclusie

DB
Nr. 13.960
Zitting 6 april 1990
Mr. Mok
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
Mediameervoud BV
(niet verschenen)
Edelhoogachtbaar College,
1.Eiser, [eiser], heeft zich tijdig van beroep in cassatie voorzien tegen het arrest van gerechtshof te Amsterdam 17 november 1988. Hij heeft daartoe één cassatiemiddel voorgesteld. Tegen de in cassatie niet verschenen Mediameervoud is verstek verleend.
2.Het middel richt zich, na een inleiding, tegen r.o. 4.4 van het hof luidend:
‘’4.4. Anders dan [eiser] meent is de president bevoegd om, zo hij dat nodig oordeelt om nakoming te bewerkstelligen, aan een door hem gegeven verbod een dwangsom te verbinden, ook wanneer dat laatste niet is gevraagd.’’
Het onderdeel stelt terecht, dat het ambtshalve opleggen van een dwangsom niet toegelaten is.
Reeds ten tijde van de oude wettelijke regeling van de dwangsom was dit niet mogelijk [1] . Ook bij het tot stand brengen van de nieuwe wettelijke regeling is de gedachte om ambtshalve dwangsomoplegging mogelijk te maken, verworpen [2] . In art. 611a Rv., zoals dit opnieuw is vastgesteld bij wet van 23 maart 1977, Stb. 184, en dat ook geldt voor de rechtbank in kort geding [3] , is dit in de wet vastgelegd [4] .
3.De bedoelde bepaling van art. 611a Rv. stamt uit art. 1 van Pro de Eenvormige Wet Dwangsom, behorende bij de desbetreffende Benelux-Overeenkomst. Het Beneluxhof is aangewezen om over vragen van uitleg van die Eenvormige Wet te beslissen. Rechtspraak van dat hof over de vraag of een dwangsom ambtshalve zou kunnen worden opgelegd, heb ik echter niet aangetroffen.
Gezien art. 6, lid 4, aanhef en onder 1°, van het Verdrag betreffende de instelling en statuut van het Benelux-Gerechtshof bestaat er m.i. geen aanleiding hierover een vraag om uitleg aan het Beneluxhof voor te leggen.
4. Tegen de overige beslissingen van het hof wordt in cassatie niet opgekomen. De gegrondbevinding van het middel leidt derhalve tot partiele vernietiging, beperkt tot de vaststelling van de dwangsom. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
5.Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het hof daarbij de oplegging van een dwangsom door de president van de rechtbank heeft bekrachtigd en tot vernietiging van de oplegging van de dwangsom.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Voetnoten

1.HR 4 oktober 1957, NJ 1957, 626; Van Rossem-Cleveringa, aant. 4 bij art. 611a Rv.
2.Wet van 23 maart 1977, Stb. 184, kamerstuk 13.788 (R 1015), Hnr. 4, Gemeenschappelijke m.v.t. ad art. 1, p. 16, 2e alinea van onder.
3.Rv. losbl. (F.M.J. Jansen), aant. 4 bij art. 293 Rv Pro.
4.Zie hierover: Rv. losbl. (F.M.J. Jansen), aant. 2 bij art. 611a Rv.;