ECLI:NL:PHR:1990:AD1089

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 1990
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13826
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1.1.2 BWArt. 6:5.3.1 BWArt. 6:5.2A.3 BWArt. 6:5.2A.4 BWArt. 6:5.2A.2a BW
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op vervaltermijnclausule in verzekeringsovereenkomst

In deze zaak stond de vraag centraal of een verzekerde zich te goeder trouw kan beroepen op een contractuele vervaltermijnclausule in een verzekeringsovereenkomst. De verzekeraar Otos had zich beroepen op het niet tijdig ontvangen zijn van een brief door de wederpartij, waardoor zij meende dat de vervaltermijn was verstreken. Het hof oordeelde echter dat Otos zich onder de gegeven omstandigheden niet te goeder trouw op de vervaltermijn kon beroepen.

De Hoge Raad bevestigde dat een contractueel beding dat een vervaltermijn inhoudt niet absoluut is en dat de toepasselijkheid ervan onder omstandigheden door de redelijkheid en billijkheid kan worden beperkt. Hierbij verwees de Hoge Raad naar relevante wetsartikelen uit Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en eerdere jurisprudentie, waaronder het arrest HR 20 mei 1949.

De conclusie van de Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het beroep van Otos, waarmee de redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen bij de toetsing van vervaltermijnclausules in verzekeringscontracten.

Uitkomst: Het beroep van de verzekeraar op de vervaltermijnclausule wordt beperkt door de redelijkheid en billijkheid en kan worden afgewezen indien niet te goeder trouw.

Conclusie

PN
Nr. 13.826
Zitting 9 februari 1990
Mr. Hartkamp
Conclusie inzake:
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ OTOS U.A.
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1.
Onderdeel 1van het (tijdig voorgestelde) cassatiemiddel bevat geen klacht.
2.
Onderdeel 2faalt. 's Hofs beslissing in r.o. 2.1, laatste alinea, is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk. Opmerking verdient dat het hof slechts heeft beslist dat Otos haar beroep op het niet ontvangen-zijn van [verweerder] brief heeft prijsgegeven, niet dat Otos afstand heeft gedaan van haar beroep op art. 4.B.10 van de verzekeringsvoorwaarden (de termijnoverschrijding). Dit laatste punt komt in r.o. 2.2 aan de orde (waartegen onderdeel 3 zich richt). Aldus sluit de opbouw van 's hofs gedachtengang geheel aan bij de zijdens Otos in hoger beroep genomen "akte overlegging produktie".
3. In r.o. 2.2 heeft het hof beslist dat Otos zich onder de aldaar genoemde omstandigheden niet te goeder trouw op de contractuele vervaltermijn kan beroepen.
Onderdeel 3betoogt dat een (beroep op een) contractueel beding houdende een vervaltermijn (die verstreken is) niet vatbaar is voor toetsing aan de goede trouw. Dit standpunt is onjuist. Van elke tussen partijen geldende regel kan onder omstandigheden door redelijkheid en billijkheid de toepasselijkheid worden beperkt. Zie de artt. 6.1.1.2 en 6.5.3.1 (2 en 248 Boek 6), die ook het geldende recht weergeven. Vgl. Asser-Hartkamp II (1989) nrs. 300 e.v., 312 e.v. Dit geldt dus ook, en zelfs in de eerste plaats, voor contractuele bedingen. Wat vervalbedingen betreft zie men in deze zin m.i. reeds het bekende arrest HR 20 mei 1949, NJ 1950, 72 m.o. Ph.A.N.H. inzake Rederij Koppe, voorts Asser-Hartkamp I (1988) nr. 692. Voor het nieuwe recht wijs ik ten overvloede op de artt. 6.5.2A.3 onder g en 6.5.2A.4 onder h in verbinding met art. 6.5.2A.2a onder a (resp. artt. 236, 237 en 233 Boek 6), die bepaalde vervalbedingen vernietigbaar verklaren - overigens in het zich in casu niet voordoende geval van onredelijkheid naar de
inhoud- en als wettelijke uitwerkingen van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid kunnen worden beschouwd; zie Asser-Hartkamp II nr. 358.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,