Conclusie
conclusiedat het cassatieberoep verworpen dient te worden.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak verhuurde verweerder in 1959 een horecapand met bovenwoning aan betrokkene 1. Betrokkene 1 droeg zonder toestemming van verweerder de huur over aan eiser, wat verweerder aanvocht wegens wanprestatie en onrechtmatige huurderswisseling. De kantonrechter en rechtbank wezen de vorderingen van verweerder toe en oordeelden dat zonder toestemming of machtiging ex art. 1635 BW Pro geen plaatsvervanging is toegestaan.
Eiser kwam in cassatie tegen dit oordeel met twee klachten, die de Hoge Raad beide verwierp. De Hoge Raad bevestigde dat art. 1595 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 1635 BW Pro bepaalt dat een verhuurder buiten de wettelijke uitzonderingen niet hoeft te accepteren dat een derde de plaats van de huurder inneemt.
De Hoge Raad benadrukte dat de belangen van de niet-huurder (eiser) geen rol spelen in de verhouding tussen verhuurder en huurder en dat de rechtbank niet verplicht was de rechtsverhouding tussen betrokkene 1 en eiser te onderzoeken. De conclusie is dat het cassatieberoep verworpen wordt en het eerdere oordeel standhoudt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verhuurder hoeft plaatsvervanging van huurder niet te accepteren buiten wettelijke uitzonderingen.