ECLI:NL:PHR:1990:14
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verduistering door advocaat die andermans gelden tijdelijk toe-eigent
In deze zaak werd een advocaat veroordeeld voor verduistering omdat hij een bedrag van 375.000 gulden, ontvangen van een assurantiemaatschappij om door te betalen aan een cliënt, voor andere doeleinden aanwendde. Het hof had hem veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
De advocaat stelde in cassatie dat hij niet de bedoeling had het geld niet te betalen en dat hij solvabel was, waardoor er geen sprake kon zijn van verduistering. De Hoge Raad oordeelde echter dat het feit dat hij het geld niet aan de cliënt had doorbetaald en er als heer en meester over beschikte, ook al was dat tijdelijk, voldoende bewijs is voor wederrechtelijke toe-eigening.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het oordeel van het hof. De solvabiliteit van de advocaat deed niet af aan het feit dat hij het geld op zijn financieringsrekening had laten storten en er rentevoordeel uit had gehaald, wat in strijd was met de aard van de betaling en het recht waaronder hij het geld had ontvangen.
Uitkomst: De advocaat is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens verduistering.