3.1Aangaande de onderdelen van het cassatiemiddel thans het volgende.
Onderdeel Avan het middel is gericht tegen r.o. 5.9 t/m 5.20 van het bestreden arrest waarin het hof de vraag, of [eiser] aanspraak kan maken op de helft van het tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende vermogen, voor zover aangebracht door [slachtoffer] , ontkennend heeft beantwoord.
3.2Subonderdeel a. bevat geen klacht. Subonderdeel b. acht het onjuist om te stellen dat [eiser] door in algehele gemeenschap van goederen te huwen, door [slachtoffer] begunstigd is.
3.3De klacht faalt m. i. wegens gebrek aan feitelijke grondslag, daar zij berust op een verkeerde lezing van 's hofs arrest. Inderdaad wordt huwen in gemeenschap van goederen, ook als de ene echtgenoot meer bezit dan de andere, niet als een schenking aangemerkt (HR 17-3-1971 NJ 1972, 136): de boedelmenging symboliseert de lotsverbondenheid van de echtgenoten die voortaan hun beider vermogen gezamenlijk bezitten. Het hof heeft echter niet anders beslist. In het onderhavige geval ging het om een huwelijk tussen een zeer vermogende oude vrouw en een vrijwel niets bezittende, nog vrij jonge man (zie r.o. 5. 11), en de begunstiging (of bevoordeling, vergelijk het boven sub 2.6 vermelde, die [slachtoffer] jegens [eiser] beoogde door vóór het huwelijk geen huwelijksvoorwaarden te doen opmaken, bestond hierin dat aldus [eiser] mede-gerechtigd werd tot het tevoren alleen aan haar toebehorende aanzienlijke vermogen. Juridisch is dat geen schenking, maar het zal in feite aan [eiser] toch wel zekere voordelen hebben verschaft. het lijkt echter weinig waarschijnlijk dat het tevens de bedoeling van de vrouw is geweest om [eiser] alleen-eigenaar van de helft van haar vermogen te maken, tenminste niet op een zo korte termijn als de man op het oog had. Dàt resultaat kon [eiser] slechts bereiken door zijn echtgenote te vermoorden. De "begunstiging" (beoordeling) door de vrouw, bestaande in het toestemmen tot een huwelijk in algemene gemeenschap, was dus slechts een, zij het onontbeerlijk, onderdeel van het geheel van rechts- en feitelijke handelingen ( zie omtrent r.o. 5.11, 5.12 en 5.17 in fine, en ook Meijer en Valter, boven sub 1.1 vermeld) welke tezamen tot het gevolg moesten leiden dat [eiser] kort na de huwelijkssluiting als weduwnaar alleen gerechtigd zou zijn tot (tenminste) de helft van het vermogen van [slachtoffer] . En het is dit gevolge van het opzettelijk veroorzaken van de dood van de vrouw die hem had begunstigd/bevoordeeld, waar het door het hof bedoelde rechtsbeginsel zich tegen verzet.
3.4Wat subonderdeel c. bedoelt te betogen is mij niet duidelijk. Het gaat er immers niet om of [eiser] de gevolgen van zijn huwelijk in algehele gemeenschap met de vrouw later ongedaan kon maken; het gaat erom dat hij, zoals het hof in r.o. 5.12 heeft vastgesteld, met de vrouw is gehuwd om zich van een groot deel van haar vermogen meester te kunnen maken.
3.5's Hofs oordeel omtrent het bestaan van een algemeen rechtsbeginsel dat hij die opzettelijk de dood veroorzaakt van een ander die hem begunstigd heeft, geen voordeel uit die begunstiging behoort te kunnen treffen, lijkt mij gezien het boven sub 2.5 vermelde arrest van Uw Raad van 10-12-1976 juist; dit beginsel is ook niet door het hof in het leven geroepen. Zie de noten onder dit arrest, en van de boven sub 1.1 genoemde schrijvers W.R. Meijer, C. Valter en V.A.M. van der Burg, en voorts de Toelichting Meijers ad art. 7.17.3.8 p. 1195, boven sub 2.4 vermeld. Onderdeel A acht ik dus ongegrond.