Conclusie
1a)wordt de vaststelling door het hof dat de limiet van het krediet is verhoogd van fl. 5.000,- tot Fl. 20.000,-, in strijd genoemd zowel met der partijen stellingen als met ’s hofs r.o. 4 en daarom onbegrijpelijk.
daarnaastuit haar eigen inkomsten nog eens een bedrag van Fl. 22.330,- aan de bank heeft overgemaakt, dan is dat in het licht van de stellingen van partijen eveneens onbegrijpelijk. De vrouw heeft immers gesteld (zie conclusie van repliek p. 5 sub 6): ‘’Tot de beëindiging van het concubinaat per eind april 1984 is totaal Fl. 32.505,75 door partijen aan krediet opgenomen, is totaal Fl. 9.412,39 aan rente afgeschreven en is door (de vrouw) Fl. 22.330,- afgelost, zodat het saldo derhalve Fl. 19.588,14 bedraagt’’, ten bewijze waarvan zij als prod. IV een bankafschrift dd. 27 april 1984 met een debetsaldo ad Fl. 19.588,14 heeft overgelegd. (De vrouw had hier wat naar zich toe gerekend: blijkens prod. bij akte na interlocutoir vonnis bedroeg het saldo aan het eind van het concubinaat, dus per 30 maart 1984, Fl. 17.893,26). De man heeft als antwoord slechts betoogd van niets te weten: de vrouw verschafte hem geen enkele inzage in haar administratie en hij heeft nimmer inzicht gehad in het rekeningenverloop. Wel was hem inmiddels gebleken dat
hijin feite al die tijd de aflossing van het doorlopend krediet had betaald (zie zijn conclusie van dupliek in conventie p. 8 en p. 10 ad 12, en memorie van grieven p. 2 sub 1 en p. 4).
het middel in het incidenteel cassatieberoepheeft de raadsman van de man zich gerefereerd aan het oordeel van Uw Raad; het komt mij eveneens gegrond voor. Het is gericht tegen de beslissing van het hof in r.o. 6 van zijn arrest om de gedingkosten te compenseren, ‘’aangezien het geschil voortvloeit uit het concubinaat van partijen’’. In het middel wordt betoogd dat compensatie van gedingkosten, althans in de feitelijke instanties, alleen mogelijk is in de in art. 56 lid 1 Rv Pro. genoemde gevallen, en dat het concubinaat van partijen daartoe niet behoort.