Conclusie
- doordat, zoals hier naar het oordeel van de rechtbank het geval was, de officier van justitie de termijn van art. 244 lid 1 Sv Pro. niet in acht had genomen-
degene die opdracht of feitelijke leiding aan dat feit heeft gegeven voor het opdracht- of feitelijk leiding geven aan dat feit niet kan worden vervolgd.
“door de ‘hetzij-hetzij-hetzij’ -constructie te wijzigen in een ‘1°, dan wel 2°, dan wel 3° tegen de onder 1 en 2 genoemde te zamen’.”
De m.v.t. op het ontwerp van wet dat tot de Wet van 23 juni 1976, S. 377, heeft geleid spreekt, na de mededeling dat het wetsontwerp t.o.v. de WED geen principiële vernieuwing inhoudt (p. 1), met betrekking tot art. 15 WED Pro van “de cumulatieve aansprakelijkheid van de corporatie en bepaalde natuurlijke personen voor de door de corporatie gepleegde strafbare feiten”(p. 12).
HR NJ 1987, 321 en 322. Vgl. ’t Hart in zijn noten in NJ 1984, 527, NJ 1987, 321 en NJ 1988, 45; Van Veen in de Hulsmanbundel, p. 178 en 181, Swart in AA 1987,p. 170-173 en in NJ 1913-1988, p. 164-165 en Strijards, Aansprakelijkheidsgronden, p. 136-138. Ook in het standpunt van Torringa zit enige beweging in deze richting: De rechtspersoon als dader, 2e dr. 1988, p. 50-51.
“dat het nimmer de bedoeling is geweest de leidinggevende functionaris niet te vervolgen”.
“Het hof is van oordeel dat het gestelde vertrouwen van de verdachte dat het Openbaar Ministerie had gekozen uitsluitend de rechtspersoon te vervolgen en niet ook de verdachte als leidinggevende, onvoldoende gerechtvaardigd was. De door de raadsman bedoelde feiten hebben mogelijk een bepaalde verwachting bij de verdachte opgeroepen, zij zijn echter onvoldoende zwaarwegend als grondslag voor het gestelde gerechtvaardigde vertrouwen.
Of het hof de “door de raadsman bedoelde feiten” op een juiste wijze heeft gewaardeerd kan in cassatie niet worden onderzocht.
Het standpunt van het hof, dat aldus aan de waarborg die besloten ligt in art. 112 lid 1 Sv Pro. is voldaan, komt mij juist voor. Ik moge volstaan met verwijzing naar de argumenten die de procureur-generaal bij de Hoge Raad in zijn voordracht en vordering tot cassatie in het belang van de wet in de zaak CW 1661 geeft voor de thans door het hof ingenomen standpunt. Vgl. de conclusie van -toen nog Advocaat-Generaal- Mr. Remmelink vóór HR NJ 1988, 513 en de noot onder dat arrest van prof. Van Veen. Ook: Rb. Middelburg, NJ 1988, 652.