Conclusie
Onderdeel 1richt zich tegen de eerste zin van r.o. 10. Het Hof leidt hierin uit de processtukken af dat partijen het erover eens zijn dat indien [verweerder] door [betrokkene] tot schadevergoeding was aangesproken
a. de door [verweerder] te verstrekken uitkeringen naar gelang van de wijze waarop [betrokkene] zijn vordering had ingekleed voor [betrokkene] al dan niet aan belasting- en premieheffing onderworpen zouden zijn, en
b. dit laatste (dus:
geenbelasting- en premieheffing) voor [verweerder] het minst bezwarend zou zijn. Het onderdeel (waarin in de tweede zin vóór de woorden ‘’aan belasting- of premieheffing’’ kennelijk het woord ‘’niet’’ is weggevallen) bestrijdt dat uit de processtukken kan worden afgeleid dat partijen het eens zijn over het sub
bbedoelde feit.
onderdelen 2 en 3wordt in enigszins verschillende formuleringen betoogd dat de tweede en derde zin van 's Hofs r.o. 10 onjuist zijn: niet de wijze waarop [betrokkene] zijn schadevergoedingsvordering zou hebben ingekleed moet als beslissend voor het verhaalsrecht van de Staat worden aangemerkt, doch de wijze waarop de Staat zijn uitkering heeft verstrekt. Het komt mij voor dat deze stelling afstuit op HR 15 februari 1985, NJ 1986, 687 m.o. F.H.J.M. (r.o. 3, voorlaatste alinea):