Conclusie
e. Bij brief van 25 september 1979 schreef de kandidaat van notaris Karsten aan appellant ([verweerder]; t.K.):
egeciteerde deel van de brief van 25 september 1979 wordt bij appellant het vertrouwen gewekt dat het pachtcontract tot stand zal komen.
foverwoog de Rechtbank: ‘’Omtrent de bewoningskwestie heeft [verweerder] bij brief d.d. 22 oktober 1979 nog een voorstel gedaan aan [eiser 1] om tot een oplossing te komen, welk voorstel inhield dat [verweerder] de gebouwen, het woonhuis, de schuur en het erf van [eiser 1] zou kopen. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser 1] dit voorstel van de hand heeft gewezen.’’ Vgl. in dit verband het citaat onder 3 hierboven.
Het tijdig ingediende cassatiemiddelis hiertegen gericht, in het bijzonder met een beroep op art. 1954 BW Pro (gezag van gewijsde).
GJS); HR 15 februari 1963, NJ 1964, 423 (
DJV) ‘’immers de bij die beslissing besliste vraag betrof een andere rechtsbetrekking dan die waarop de in dit geding te beantwoorden vraag betrekking heeft, en op beide vragen ook niet noodzakelijk hetzelfde antwoord behoeft te worden gegeven’’; Veegens, ‘’Het gezag van gewijsde’’ (1972), p. 24 e.v.; MvT bij art. 67 Rv Pro. ontwerp bewijsrecht, zitting 1969–1970 – 10.377, stuk no. 3, p. 23 l.k.: ‘’Het gezag van gewijsde kan door de betrokken partijen worden ingeroepen in een ander geding, aan hetwelk geheel of ten dele dezelfde rechtsbetrekking te gronde ligt als waarover het gewijsde zich heeft uitgesproken.....’’