Conclusie
Nr. 7177
Parket, 25 september 1987
rechtswegemedehuurder, zolang die woonruimte die echtgenoot tot hoofdverblijf strekt. Art. 1623 h geeft onder bepaalde voorwaarden aan een of meer met de huurder samenwonenden de hoedanigheid van medehuurders. Die kwaliteit gaat ook de
verhuurder aan en daarom moeten de aspirantmedehuurders samen met de huurder daartoe allereerst de instemming van de verhuurder zien te verwerven. Is die daartoe niet bereid dan kan de kantonrechter op verzoek van de huurder en de aspirantmedehuurder deze laatste de kwaliteit van medehuurder verschaffen en hij moet dat, desgevraagd zelfs doen tenzij zich voordoen een of meer van de omstandigheden opgesomd onder a t/m e van het derde lid van art. 1623 h. Zo kan de verhuurder zich een medehuurder aangemeten krijgen, met wie hij niet wenst te contracteren [1] , maar de huurder kan niet tegen zijn zin een medehuurder krijgen: dan moet hij met die persoon maar niet trouwen; dan moet hij niet meewerken aan de verzoeken.
aardvan de samenwoning, de
redenwaarom men een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft in de woonruimte doet niet terzake. Of daaraan affectie, efficiency of economie ten grondslag ligt is van geen belang (A.T. Bolt: De samenwoner als medehuurder NJBL 1984, blz. 1062, Ik., onder 2) maar tenzij men het huwelijk uit liefde als ’t enige en die liefde als steeds blijvend beschouwt is ook daar het formele moment beslissend: hier een duurzaam gemeenschappelijke huishouding, dáár gehuwd zijn, het gesloten huwelijk (dat de gehuwden in beginsel tot samenwoning verplicht).
bedoelingdat de huurder zó zijn eigen ondergang kon voorbereiden?
medehuurder niet via 1623 h, lid 7 de
huurderhet huis uit kan zetten, zou dit cassatieberoep reeds daarop stranden: de actie is gericht tegen de
huurderen de vraag is slechts of [verzoekster] – per analogiam – het recht mag uitoefenen belichaamd in art. 1623 h, lid 7.
- en die zijn toch talrijk, als men bedenkt dat het vaak gaat over ongehuwd samenlevenden ("als waren zij gehuwd").
het recht er slechts op neerkomen, dat de huurder met medewerking van de (kanton)rechter aan het medehuurderschap een eind kan maken, niet omgekeerd.
De echtgenoot die van rechtswege medehuurder wordt kan na echtscheiding huurder worden en dan moet de ander, al is hij huurder, er voor goed uit. (art. 1623 g lid 5).
a) dat de samenleving een bepaalde tijd heeft bestaan? Hoe lang?
b) tussenkomst van de rechter?"
nietgunstig voor [verzoekster] , die daarvan dan ook in hoger beroep is gegaan.
en(cursivering van mij, L.) hebben verklaard hierin gelegen, dat partijen in de tijd waarin zij nog in harmonie samenleefden, aan deze mogelijkheid in het gehele niet hebben gedacht!"
isgaan wonen. En als nu ook nog uit het vonnis van de rechtbankpresident blijkt, dat [verzoekster]
en[verweerder] aan de mogelijkheid om [verzoekster] medehuurster te maken
nietafhankelijk was van de instemming van de huurder -
dan zal men begrijpen, hoezeer het mij spijt en verdriet, dat ik toch geen echte kans zie om [verzoekster] het gelijk te geven dat haar toekomt.
-- Hoe ouder ik word hoe meer ik er van overtuigd geraak, dat Essers stelling, dat de wet geen onbevredigende uitkomst toelaat, dat zij slechts tot haar recht komt – en dus goed uitgelegd is – als zij tot een aanvaardbare conclusie leidt, een illusie is uit die optimistische jaren tussen 1965 en 1975. Rechters en aanverwanten zullen moeten accepteren dat zij nogal eens bijzonder vervelende beslissingen moeten geven, omdat de wet het eist. En de wet, dat is de samenleving. In dit geval heeft men – dat is met name het parlement – een goede regeling voor dit soort gevallen niet willen maken,
al wist men, dat de situatie zich kon voordoen.
zou het heilzaamzijn. Dat wel, maar ..... --
eerstedruk, blz. 6) maar dan toch alleen als voor die gevallen de regel niet door de wet uitdrukkelijk buiten toepassing is geplaatst.
gééngezamenlijk verzoek aan de verhuurder is gedaan en art. 1623 h lid 7 gaat er niet alleen van uit, maar stelt als voorwaarde dat dit wèl is gebeurd. Analogie met art. 1623 g BW wordt in cassatie terecht niet meer bepleit. Zie daarvoor Pres, rechtbank Amsterdam, 6 februari 1986, Kort Geding 1986, 115.
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheidop het ontbreken van zijn medewerking een beroep doen? Ik zal hier - met moeite - kort over zijn. Er zijn redenen om aan te nemen dat hij dat niet mocht. De belangrijkste zijn dat hij - in betere tijden - gewoon vergeten was (of er niet van op de hoogste was) - om tot dat doel zijn medewerking te geven
èndat de situatie waarin [verzoekster] van 1968 af verkeerde eigenlijk zo'n medehuurderschap van haar "opdrong".
meedoen. Nu - alleen opererend - durf ik dat - om het maar heel eerlijk te zeggen – niet,
omdat ik de algemene gevolgen niet kan overzien.
in strijd is met (de regels van) de goede trouw en/of de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, komt bij mij sympathiek over, maar ik vraag mij toch af, waar dàn de grens moet worden getrokken tussen een al dan niet toegestaan beroep (
niet op een overeenkomstmaar) op de wet.
- - in strijd met de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR - -
geen rechtsingang te verlenen.
dezeniet-ontvankelijkverklaring gelijk is te stellen met weigering van rechtsingang.
afgewezenomdat het daartoe aangevoerde het gevorderde niet kan bewerkstelligen:
aanvoeren, dat hij – verzoeker – een persoon is "bedoeld in het vierde lid" van art. 1623 h.
nietaan, dan moet hij eigenlijk niet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek, maar moest de gevraagde voorziening geweigerd worden of welke terminologie men ook daarvoor wil gebruiken.
- te weten dat [verzoekster] medehuurster was -
kwam niet vast te staan en daarom kon het verzochte niet worden toegestaan.
nietgeweigerd.
isrechtsingang verleend. Dat voor toewijzing van het verzochte – gebaseerd op een bepaalde "actie", te weten die van art. 1623 h, lid 7 BW – een eis wordt gesteld, waaraan in dit geval niet was voldaan
- te weten, (opnieuw) dat [verzoekster] medehuurster was van de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] –
betekende wèl dat het verzoek daarom niet kon worden ingewilligd, en dus, in wat voor bewoordingen ook, moest worden afgewezen maar niet dat [verzoekster] , zich beroepend "op het recht op huis" geen
rechtsingangkon verkrijgen.