Conclusie
eerstemiddel strekt in het bijzonder ertoe te betogen dat het hof aan de in de tenlastelegging voorkomende woorden ''in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening'', welke woorden daar kennelijk de betekenis hebben die daaraan in art. 180 Sr Pro. toekomt, een verkeerde uitleg heeft gegeven.
tweedemiddel is eveneens ongegrond. Het namens verzoeker ter terechtzitting van het hof gevoerde verweer, voor zover inhoudende dat er van een verkeersovertreding geen sprake was, kan, anders dan het middel wil, niet als een zogenaamd Meer-en-Vaart-verweer worden aangemerkt, omdat het, zoals uit het sub 8 opgemerkte kan blijken, strijdig is met de inhoud van het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal. Vgl. G. Knigge, Beslissen en motiveren, p. 169.