ECLI:NL:PHR:1986:AC9426

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 1986
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
12689
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1401 BWArt. 1403 lid 3 BWArt. 6.3.1.1 lid 2 NBWArt. 407 lid 2 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding na speelse duw op werk met knieblessure

Eiser en verweerder 1 waren collega’s bij dezelfde werkgever en hadden een goede verstandhouding waarbij speels gedrag zoals duwtjes gebruikelijk was. Op een dag gaf verweerder 1 een speelse duw aan eiser, waarna eiser viel en zijn rechterknie beschadigde.

Eiser vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De rechtbank kende hem die toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af omdat de speelse duw niet in strijd was met de maatschappelijke zorgvuldigheid en verweerder 1 niet had behoren te voorzien dat eiser zou vallen en letsel zou oplopen.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. Er was geen onrechtmatigheid omdat de handeling paste binnen de normale omgangsvormen en geen veiligheidsnormen werden overschreden. Daarnaast ontbrak het aan voorzienbaarheid van het letsel, waardoor geen aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad kon worden aangenomen.

Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens knieblessure na speelse duw op werkvloer wordt afgewezen wegens ontbreken van onrechtmatigheid en voorzienbaarheid.

Conclusie

Ob
Nr. 12.689
Zitting 2 mei 1986
Mr. Biegman-Hartogh
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
1.
[verweerder 1]
2.
[verweerster 2]
Edelhoogachtbaar College,
1. Eiser tot cassatie [eiser] en verweerder sub 1 [verweerder 1] waren beiden in dienst van verweerder sub 2, [verweerster 2] . De verhouding tussen hen was goed, evenals de hele sfeer op het werk. Er werd wel eens wat ‘’gedold’’, waarbij men elkaar een schouderklap of duwtje of zo gaf. Op een dag gaf [verweerder 1] weer zo'n ‘’speels(e) duw(tje)’’ aan [eiser] ; deze is gevallen en heeft zijn rechterknie beschadigd.
De vordering tot schadevergoeding van [eiser] , gegrond op een onrechtmatige daad van [verweerder 1] , is door de Rechtbank toegewezen. Het Hof echter heeft dit vonnis vernietigd en de vordering afgewezen; het was van oordeel dat [verweerder 1] met het geven van deze speelse duw jegens [eiser] niet gehandeld heeft in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (zie art. 6.3.1.1 lid 2 NBW), en dat voorts de omstandigheden van het geval niet meebrachten dat [verweerder 1] had behoren te begrijpen dat [eiser] door die duw zijn evenwicht zou verliezen en vallen.
2. Waar [eiser] in eerste aanleg zijn vordering toegewezen had gekregen, is het begrijpelijk dat hij, na de voor hem weer ongunstige beslissing van het Hof, het nog eens in cassatie probeert (zie zijn pleitnota). Minder begrijpelijk acht ik echter de inhoud van zijn, uit twee onderdelen bestaand, middel. Met de raadsman van [verweerder 1] vraag ik me af of dit wel voldoet aan de eisen die art. 407 lid 2 Rv Pro. stelt (zie de rechtspraak, vermeld in Cremers' Burgerlijke Rechtsvordering onder deze bepaling). Voor zover dit wel het geval is, het volgende.
3. Zoals bekend (zie Asser-Rutten 4-III, 1983, p. 53) bevat de in art. 1401 BW Pro neergelegde ‘’actie’’ vier elementen: onrechtmatigheid, schuld, schade en causaal verband. Indien deze in een gegeven geval niet alle vier aanwezig zijn, bestaat er in het algemeen géén aansprakelijkheid op grond van art. 1401 BW Pro, noch op grond van art. 1403 lid 3 BW Pro. In het element onrechtmatigheid nu kan men weer verschillende categorieen onderscheiden, waaronder die [eiser] strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid, en die [eiser] inbreuk op eens anders recht (Rutten, a.w., p. 58 e.v.).
4. Het Hof heeft beslist dat de ‘’speelse duw’’ die [verweerder 1] aan [eiser] gaf, in de gegeven omstandigheden niet in strijd met de zorgvuldigheid was. Voor zover het middel de klacht inhoudt dat het Hof eveneens had behoren te toetsen aan de onrechtmatigheidscategorie inbreuk op eens anders recht — in dit geval het recht op de integriteit van het lichaam — wordt naar mijn mening onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de handeling van [verweerder 1] , die bestond in het geven [eiser] duw, welke duw op zichzelf aan [verweerder 1] geen schade heeft toegebracht, en hetgeen daarna gebeurde: de ongelukkige val waarbij [eiser] zijn knie beschadigde. Zie over dit onderscheid Onrechtmatige Daad I (C.H.M. Jansen) nr. 81, Rutten a.w., p. 60/61 en Van Zeben, Parlem. Geschiedenis van het NBW, Boek 6, Toelichting Meijers op wat thans art. 6.3.1.1 is, p. 614 onder a.
5. Voorts heeft [verweerder 1] bij het geven van het speelse duwtje geen verkeers- of andere veiligheidsnormen overschreden, vgl. HR 2-11-1979, NJ 1980, 77 GJS; zie voor andere gevallen van in het leven roepen van gevaar Rutten a.w., p. 69/70 met name het door hem genoemde arrest HR 25-11-1977 NJ 1978, 331 en vergelijk nog HR 6-11-1981 NJ 1982, 567 CJHB.
6. [eiser] elementen die nodig zijn om aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad te kunnen aannemen, ontbrak in dit geval dus de onrechtmatigheid, terwijl het hof bovendien feitelijk, en m.i. niet onbegrijpelijk, heeft vastgesteld dat [verweerder 1] het gevolg van het duwtje voor [eiser] in dit geval niet had behoren te voorzien.
En een risico-aansprakelijkheid is in art. 1401 BW Pro niet neergelegd. Het Hof heeft derhalve terecht de vordering afgewezen.
7. Daar ik het middel, voor zover al ontvankelijk, in beide onderdelen ongegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de kosten ervan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,