ECLI:NL:PHR:1986:AC9271

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 1986
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
79.236 M
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 SrArt. 318.1 SrArt. 114a RLLuArt. 13 WW
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige valsheid in geschrift en afdreiging met onjuiste uitkeringsinformatie

In deze militaire strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor meervoudige valsheid in geschrift door het opmaken van een vals geldopnameformulier met het oogmerk dit als echt te gebruiken, en voor meervoudige afdreiging door te dreigen aan de sociale dienst door te geven dat een vrouw met een uitkering zwart werkte.

De verdachte stelde onder meer dat de dagvaarding nietig was wegens het ontbreken van de termen 'onvervalst' en 'opzettelijk' in de tenlastelegging, en dat de feitelijke omschrijving van het gebruik van het valselijk opgemaakte formulier ontbrak. De Hoge Raad oordeelde dat deze termen overbodig of niet vereist zijn en dat de feitelijke omschrijving niet noodzakelijk is volgens de jurisprudentie.

Verder werd geklaagd over de onjuiste verwijzing naar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, terwijl de vrouw een andere uitkering genoot. Hoewel dit feitelijk juist was, achtte de Hoge Raad de term van bijkomstige aard, maar stelde dat het hof onbegrijpelijk had bewezen verklaard dat de uitkering volgens de WW was, en verwees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

De overige middelen, waaronder het gebruik van verklaringen voor bewijs en het ontbreken van een reactie op het verweer omtrent het type uitkering, werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee grotendeels het vonnis, maar vernietigde het bewijs rond de uitkeringsgrondslag en verwees de zaak terug.

Uitkomst: Veroordeling bevestigd, maar bewijsvoering omtrent uitkering vernietigd en zaak terugverwezen.

Conclusie

JM
Nr. 79.236 M.
Zitting 7 januari 1986
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[requirant]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het HMG met overneming en verbetering van gronden bevestigend het vonnis van de Arrondissementskrijgsraad te Arnhem requirant heeft veroordeeld terzake van (1) valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd; (2) afdreiging, meermalen gepleegd; (3) diefstal, tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk (proeftijd 2 jaar), tegen welke sententie hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem vijf middelen van cassatie voorgesteld.
In middel I wordt aangevoerd, dat de telastelegging inzake feit 1 dermate gebrekkig zou zijn, dat de dagvaarding nietig verklaard had moeten worden:
a. Allereerst wordt aangevoerd, dat niet in de telastelegging is vermeld ‘’en onvervalst’’. Inderdaad heeft de steller ervan zich beperkt tot ‘’echt’’. Ik meen echter, dat met Uw Raad (HR 21 februari 1984, DD 84.283) gesteld kan worden, dat de beide begrippen synoniem zijn, zodat het gebruik van beide woorden eigenlijk een overbodige herhaling is. Zie ook F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, diss. Groningen, 1985, p. 107, die er overigens wel een critische aantekening bij maakt.
b. Voorts wordt gesteld, dat feitelijk omschreven had moeten worden, waaruit het gebruik heeft (lees: zou moeten) bestaan. Ik meen, dat deze eis in de jurisprudentie van Uw Raad niet wordt gesteld: vgl. o.m. HR 8 mei 1979, NJ 1979, no 447.
c. Tenslotte wordt gesteld, dat in de telastelegging het bestanddeel ‘’opzettelijk’’ ontbreekt. Aangezien dit woord geen bestanddeel van de wettekst vormt, gaat ook dit verwijt niet op.
In middel II wordt aangevoerd, dat de (bewezenverklaarde) telastelegging inzake de chantage (requirant dreigde aan de Gemeentelijke Sociale Dienst te verklaren dat de vrouw zwart werkte; R.) spreekt over een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, welke de benadeelde vrouw zou ontvangen van voormelde dienst. Dat zou niet kunnen, want de WW-uitkering wordt betaald door de bedrijfsverenigingen. Op zichzelf is deze grief juist. Ik neem echter aan, dat deze term die mij bovendien niet essentieel lijkt voor de telastelegging (zie hierover verderop) door de rechters niet in technische zin is opgevat, maar als de aanduiding van een (materiële) wet betrekking hebbende op werkloosheid, krachtens welke de vrouw een uitkering van de Gemeentelijke Sociale Dienst kreeg. Bedoeld zal hier vermoedelijk zijn de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, te vinden in S en J-ed. 6 II, zevende druk, p. 315. Het is een regeling gebaseerd op de Algemene Bijstandswet, als hiervóór wordt voorgesteld.
In middel III wordt onder a aangevoerd, dat de rechters requirant hadden moeten ontslaan van rechtsvervolging, nu in de bewezenverklaring van het sub 1 telastegelegde de woorden ‘’en onvervalst’’ ontbreken. Deze grief bespraken wij in ander verband al hiervóór, en kan mitsdien niet tot cassatie leiden.
Onder b wordt gesteld, dat het HMG ten onrechte voor het bewijs van feit 1 heeft gebezigd een passage uit de ter terechtzitting door requirant afgelegde verklaring, dat hij (kort gezegd) na het plegen van de valsheid twee keer geld van de rekening van de vrouw heeft opgenomen. Die verklaring zou niet redengevend voor het bewijs van de valsheid zijn. Ik zie dat niet in. Het is immers evident dat aan gebeurtenissen, die zich post factum hebben voorgedaan bewijs kan worden ontleend.
Ditzelfde geldt ook voor het bezwaar dat requirant maakt tegen het gebruik voor het bewijs van een verklaring voor het HMG afgelegd door de benadeelde vrouw.
In middel IV wordt wederom geklaagd over de omstandigheid, dat ten onrechte bewezen zou zijn, dat zij van de Gemeentelijke Sociale Dienst een uitkering ingevolge de WW genoot. Dit punt bespraken wij reeds in ander verband hiervoor. Het middel faalt mitsdien.
In middel V wordt erover geklaagd, dat het HMG nagelaten heeft te responderen op het verweer, dat de vrouw niet een WW, maar een RWW-uitkering genoot. Het komt mij voor, dat deze grief niet tot cassatie hoeft te leiden, aangezien (daargelaten dat het HMG ‘’WW’’ anders zal hebben opgevat; zie hiervóór) dit onderdeel niet als essentieel voor deze telastelegging is te beschouwen (het gaat er immers slechts om, dat de vrouw een uitkering kreeg). M.a.w. zou dit bestanddeel niet bewezen zijn, dan zou daarvoor een afzonderlijke vrijspraak geïndiceerd zijn. De bewezenverklaring zonder dit onderdeel zou de veroordeling ook dragen. Voor de stelling, dat het hier een bijkomstigheid betreft verwijs ik o.m. naar HR 10 april 1984, NJ 1984, no. 768 en 22 november 1983, NJ 1984, no 805.
De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,