ECLI:NL:PHR:1985:AB7967
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling cassatieberoep inzake aanhouding en vaagheid van onbehoorlijk gedrag op station
In deze zaak stond centraal of de aanhouding van de verdachte op het station Rotterdam C.S. rechtmatig was en of de strafbaarstelling van 'onbehoorlijk gedrag' op grond van artikel 4 van Pro het Algemeen Reglement Vervoer (ARV) te vaag was. De verdachte werd aanvankelijk door de kantonrechter ontslagen van rechtsvervolging, maar dit vonnis werd door de rechtbank vernietigd, waarna zij werd veroordeeld tot geldboeten.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de aanhouding niet voldeed aan artikel 53 lid 3 Sv Pro, omdat zij niet tijdig was voorgeleid aan een hulpofficier van justitie. De rechtbank oordeelde dat de korte tijd tussen aanhouding en voorgeleiding voldoende was en verwierp dit verweer. Daarnaast werd aangevoerd dat de term 'onbehoorlijk gedrag' in artikel 4 ARV Pro te vaag is en daarmee in strijd met artikel 7 EVRM Pro, maar de rechtbank verwierp ook dit verweer en stelde dat de norm noodzakelijk is voor het handhaven van orde en veiligheid op stations.
Verder werd betoogd dat de restauratie waar het gedrag plaatsvond niet tot het station zou behoren, maar ook dit verweer werd door de rechtbank gemotiveerd verworpen. De Hoge Raad bevestigde deze oordelen en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling tot geldboeten in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling wegens onbehoorlijk gedrag op het station bleef in stand.