Conclusie
eerstemiddel mist feitelijke grondslag. Kennisneming van de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg leert dat de voorzitter telkens de zaak tegen ''na te noemen'' - en telkens genoemde - verdachte heeft uitgeroepen.
eerstemiddel lees ik de stelling dat de rechtbank in strijd met de bewijsregel van art. 338 Sv Pro. de overtuiging, dat verzoeker de hem telastegelegde feiten heeft begaan, niet enkel heeft bekomen uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Het enige gegeven dat ter adstructie van deze stelling wordt aangevoerd is een schietoefening te Zoetermeer, waaraan rechters (onder wie de voorzitter van de strafkamer) en officieren van justitie van het Haagse parket hebben deelgenomen.
tweedemiddel vecht de bewijskracht aan van het proces-verbaal van verhoor van getuigen door de rechter-commissaris van 26 mei 1983. Het middel kan naar mijn mening niet slagen omdat het slechts gissingen (bijv. over een justitieel gestructureerde beeld- en mythevorming) bevat die door geen enkel feitelijk gegeven worden gestaafd. Dat een middel feitelijke grondslag dient te hebben noemen Von Brucken Fock en Van Dorst (Cassatie in strafzaken, blz. 40) terecht een met het wezen van het cassatieproces samenhangende eis. (De verwijzing in het middel naar ''Cassatiemiddel nr. 24'' is mij niet duidelijk. De cijferaanduiding in de schriftuur loopt slechts tot en met 7.)
derdemiddel richt zich tegen de video-reconstructie (waarop ook in het tweede middel wordt gezinspeeld) die op 5 april 1983 van de gebeurtenis in Delft is gemaakt en waarvan de rechtbank zich een videoband heeft laten tonen. Ook dit middel snijdt geen hout, alleen al omdat de rechtbank hetgeen zij omtrent de gehouden reconstructie heeft waargenomen niet voor het bewijs heeft gebezigd. Dan heeft het ook geen zin over de inrichting van de reconstructie te spreken (zo daar uit technisch oogpunt al iets op aan te merken zou zijn, hetgeen - voor zover ik kan beoordelen - niet het geval is).
vierdemiddel betreft opnieuw de bewijskracht van het boven vermelde proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris van 26 mei 1983. Kern van het bezwaar lijkt te zijn dat in dat proces-verbaal voorkomende verklaringen van getuigen afwijken van verklaringen die deze, en andere, getuigen tegenover de politie hebben afgelegd. Ik volsta op dit punt met een verwijzing naar HR 7 april 1981, NJ 1981, 399, m.nt. Th.W.v.V., waarin Uw Raad er nog eens aan herinnerde dat het vaste rechtspraak is dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen dat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De keuze die de rechter maakt behoeft hij niet te motiveren. Vergelijk ook Von Brucken Fock en Van Dorst, a.w., blz. 112.
vijfdemiddel versta ik aldus dat het hof het vonnis van de rechtbank niet met overneming van de gronden had mogen bevestigen, omdat een deel van de voor het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker ter terechtzitting in eerste aanleg niet op eigen wetenschap berust, althans niet redengevend kan zijn voor het bewijs dat verzoeker de zes in de dagvaarding genoemde personen opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het betreft het volgende gedeelte uit verzoekers verklaring:
in hoger beroep, niet redengevend is voor het bewijs, mist feitelijke grondslag, aangezien die verklaring niet voor het bewijs is gebezigd. Het middel faalt.
zevendemiddel betreft een bewijsfacet. Het voert aan dat de voorbedachte raad, voor wat betreft het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, en het opzet, voor wat betreft de onder 2 tot en met 6 subsidiair bewezenverklaarde feiten, niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Voor zover dit middel nog verwijst naar in feitelijke aanleg gevoerde verweren voldoet het niet aan de eisen die Uw Raad aan een middel van cassatie stelt. Vgl. HR 19 juni 1984, DD 84.492.
zesdemiddel sluit bij het zevende aan, in zoverre het de gedachtengang bestrijdt waarmee de rechtbank na de bewezenverklaring ingaat op de twijfel van de raadsvrouwe ''over de vraag of bewezen kan worden dat verdachte de hem telastegelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd''.