Conclusie
Het cassatieberoepis tegen dit interlocutoire arrest gericht. In de
onderdelen a–cwordt betwist dat hier sprake zou zijn van een boedelschuld, op basis van art. 24 F. In
onderdeel dwordt de verschuldigdheid van wettelijke rente betwist.
door den schuldenaarna de faillietverklaring
aangegaan’’. De bedoeling van het artikel was echter duidelijk. Vgl. Van der Feltz I (1896), p. 362 (M.v.A.): ‘’.... Zooals in de Memorie van Toelichting is opgemerkt, duidt het artikel aan, dat handelingen, door den failliet na de faillietverklaring verricht, niet absoluut nietig zijn, maar alleen hem zelven,
nietden boedel binden. Tegenover den curator kan men op die handelingen dus geen beroep doen, hem niet op grond daarvan aanspreken, tenzij .... de boedel van die handelingen voordeel heeft genoten. Geheel hetzelfde stelsel, als in het Burgerlijk Wetboek is aangenomen. De derde, die met den failliet handelde, zal daarvan het bewijs hebben te leveren en wie met een gefailleerde handelt, weet, dat hij handelt met iemand, die het beheer en de beschikking over zijn vermogen heeft verloren.’’
zal te dier zake den curator kunnen aanspreken en is dus niet aan het verificatie-proces onderworpen(cursivering van mij; t.K.).’’
onderdelen a–c van het cassatiemiddelfalen.
onderdeel a, dat de door Heidam verrichte betaling tot de failliete boedel is gaan behoren, staat er niet aan in de weg, dat de onderhavige betaling onverschuldigd is verricht op een tijdstip vallende ná de aanvang van de dag der faillietverklaring.
onderdeel b van het cassatiemiddelvast.
onderdeel c van het cassatiemiddelis derhalve onjuist, zodat het onderdeel doel mist. Het betreft hier een persoonlijke vordering. Het betaalde heeft zich met de boedel vermengd.
onderdeel d van het cassatiemiddelwordt deze beslissing bestreden, omdat deze in strijd met de strekking van art. 128 F. (art. 260 F.) komt.