Conclusie
Nr. 12.413.
Zitting 14 september 1984.
Conclusie inzake:
Ten aanzien van het recht:
Deze regeling wordt nog uitvoeriger neergelegd in het nieuw B.W., zie Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 N.B.W., zesde gedeelte, II 1982-1983, 17 725, de artikelen 8 en 15, tekst in kamerstuk no. 2 p. 11-13, toelichting in no. 3 p. 56/57 en p. 59-62. Een en ander is ook opgenomen in de bundel Rechtspersonen onder IW 3-6. Zie hieromtrent Van Schilfgaarde in W.P.N.R. (1983) no. 5638 met name op p. 72-74, Van der Grinten in W.P.N.R. no. 5642, met name p. 139-140 en voorts P. Neleman TVVS 1983/3 p. 53 e.v.
besluitvan ontslag".
vorming, d.w.z. in de fase voordat het besluit was gevallen, en toen was de directeur nog "orgaan". Bovendien was in casu eiser tevens aandeelhouder, en als zodanig eveneens belanghebbende in de zin van art. 11 lid 2 resp Pro. van art. 15 lid 3 aanhef Pro en sub a N.B.W. (zie ook Asser-Van der Grinten l.c. p. 101).
feiteneerkomt op een herstel van de dienstbetrekking, echter slechts tot het moment dat de rechtspersoon opnieuw een ontslagbesluit heeft genomen, en een
veroordelingtot een herstel ervan. Wèl zullen, ook naar mijn mening, deze bepalingen in de weg kunnen staan aan vernietiging van het ontslag wegens kennelijke onredelijkheid in
arbeidsrechtelijkezin.
bij de Hoge Raad der Nederlanden,