Conclusie
De grieven IV en Vzal het Hof tezamen behandelen, nu zij tezamen de vraag aan de orde stellen of van een onrechtmatige daad van appellanten jegens geintimeerde sprake was en derhalve van een plicht de daardoor aan geintimeerde berokkende schade te vergoeden.
juist vanwege het zakelijk karakter daarvan. Slechts indien geintimeerde had gesteld dat zij door bedoelde derde met medewerking van appellanten werd gestoord in de uitoefening van haar recht – wat zij echter niet heeft gesteld – zou zij aan appellanten een onrechtmatige daad jegens haar kunnen verwijten. De grieven zijn dus gegrond.
Grief VIkan appellanten niet baten, nu geintimeerde ten processe de haar opgelegde aanslag in het recht van successie uitdrukkelijk slechts heeft opgevoerd (zie conclusie van repliek punt 8) als een indicatie voor het feit dat zij schade zou hebben geleden. In de opzet van de rechtbank zou overigens de eventueel door geintimeerde geleden schade nog ter sprake komen op de door de rechtbank bepaalde comparitie van partijen en mogelijk daarna.
tweede cassatiemiddelbestaat uit drie onderdelen, waarvan de eerste twee zeer nauw samenhangen, zij zijn gericht tegen 's Hofs r.o. 2 en 5. De hierin aan de orde gestelde problematiek betreft de vraag of een legataris van rechtswege reeds door het overlijden van de testateur het hem gelegateerde zakelijk recht van gebruik en bewoning verkrijgt of dat overschrijving van (een uittreksel van) het testament of van een notariële akte van afgifte van het legaat in de openbare registers daartoe als wettelijk vereiste moet gelden.
derde cassatiemiddelbestaat uit drie onderdelen (welke een motiveringsklacht behelzen) en kan evenmin tot cassatie leiden.