ECLI:NL:PHR:1984:AC8615
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 293 Sr inzake actieve euthanasie door arts
In deze zaak stond de vraag centraal of het toedienen van dodelijke stoffen door een arts op uitdrukkelijk en ernstig verzoek van een patiënt valt onder het begrip 'van het leven beroven' zoals bedoeld in artikel 293 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad bevestigde dat het begrip ook actieve euthanasie omvat en dat de wetgever dit sinds 1886 heeft bedoeld, zonder uitzondering voor artsen.
De verdediging voerde aan dat actieve euthanasie niet strafbaar zou zijn of niet onder het begrip valt, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen. De Raad benadrukte dat hoewel er maatschappelijke discussies en ontwikkelingen zijn, er nog geen voldoende uitgekristalliseerde algemene opvatting bestaat die tot een andere uitleg zou leiden.
Verder besprak de Hoge Raad de mogelijkheid van rechtvaardigingsgronden zoals overmacht en het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, maar oordeelde dat deze in casu onvoldoende aannemelijk waren. De Raad concludeerde dat het huidige recht gehandhaafd moet blijven en dat het Openbaar Ministerie bij zorgvuldig handelen en uitdrukkelijk verzoek van de patiënt kan besluiten niet te vervolgen.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijke wettelijke regelingen voor euthanasie en wijst op lopende parlementaire en maatschappelijke discussies, maar bevestigt de strafrechtelijke kwalificatie van actieve euthanasie als levensberoving.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat actieve euthanasie onder artikel 293 Sr valt en verwerpt het cassatieberoep, waarbij het hof het vonnis in stand houdt.