ECLI:NL:PHR:1984:AB8091

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 1984
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
77212
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 57 SrArt. 62 SrArt. 359 lid 7 SvArt. 359 lid 8 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens onvoldoende motivering strafverzwaring bij inbraak en diefstal

In deze zaak gaat het om een arrest van het hof Amsterdam waarin aan de verdachte wegens bewezenverklaarde inbraak en diefstal een zwaardere straf werd opgelegd dan door de politierechter was bepaald. Het hof motiveerde deze strafverzwaring mede door het verwijzen naar een aantal processen-verbaal van soortgelijke delicten uit het voorgaande jaar, zonder dat deze feiten door de verdachte waren erkend of ter zitting waren besproken.

De politierechter had een straf van zes maanden gevangenisstraf opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Het hof legde een zwaardere straf op zonder de bijzondere redenen daarvoor voldoende te motiveren, wat leidt tot nietigheid van het arrest op grond van artikel 359 lid 7 en Pro 8 en artikel 415 Sv Pro.

De Hoge Raad concludeert dat het hof ten onrechte strafverzwaring baseerde op niet-erkende feiten uit processen-verbaal die niet in het strafproces zijn behandeld. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde berechting en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de strafverzwaring en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Ch
Nr. 77.212
Zitting 5 juni 1984
Mr. LeijtenConclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
1. In het middel wordt erover geklaagd, dat het hof te Amsterdam - rechtdoende in appèl bij arrest van 21 november 1983- heeft besloten aan verzoeker wegens het bewezenverklaarde: inbraak en diefstal, een zwaardere straf op te leggen dan de Utrechtse politierechter deed onder meer omdat "in het afgelopen jaar opnieuw een aantal malen proces-verbaal is opgemaakt terzake van soortgelijke delicten".
2. De politierechter had vonnissend bij verstek nominaal dezelfde straf opgelegd: zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, proeftijd twee jaar en aftrek van voorarrest, maar dat betrof allereerst ook nog een derde telastegelegd, soortgelijk feit: poging tot inbraak, waarvan het hof hem vrijsprak.
3. Ook nog een vierde feit, gevoegd telastegelegd, speelt een (kleine) rol. Het betrof kort gezegd aanwezig hebben van 0,43 gram hashish. Ook dat achtte de politierechter bewezen, hij kwalificeerde het (ten onrechte) als
het misdrijf:
opzettelijk handelenin strijd met het in art. 3, onder C van de Opiumwet gegeven verbod en ook dat feit viel onder de strafoplegging van zes maanden enz.
4. Met betrekking tot dat telastegelegde feit overwoog het hof dat het een overtreding opleverde, en dat nu die bij de politierechter was aangebracht, het daartegen te richten rechtsmiddel dat van verzet was.Het hof "converteerde" in zoverre het appel in verzet. Twee opmerkingen hierover: het lijkt duidelijk dat verzoeker geen enkel belang kan hebben bij dit verzet. Wat hij voor dit feit in eerste aanleg heeft gekregen zal eeuwig onbekend blijven, maar het zat in die zes maanden in. Komt er enige straf uit die verzetsbehandeling, dan is dat een surplus. En voorts: is het zo zeker dat er nu de politierechter het telastegelegde feit heeft gekwalificeerd als:
opzettelijkhandelen enz, en verzoeker onder aanhaling van art. 57 en Pro niet óók van art. 62 Sr Pro. terzake dus door deze is veroordeeld
wegens misdrijf, voor verzoeker hier geen hoger beroep open stond? Wat is dienaangaande beslissend: de telastelegging of het vonnis?
Ik heb er redelijk lang over gepiekerd maar ik ben er nog niet uit.
5. Na wat men tegenwoordig misschien wel heroverweging zou noemen acht ik het middel gegrond. Wat houden die processenverbaal in? Beschrijving van vermoedelijk door verzoeker begane strafbare feiten van soortgelijke aard neem ik aan. Worden die in die processen-verbaal door verzoeker erkend? Ik weet het niet. Blijkt ergens uit, dat zij ter zitting in eerste aanleg of in hoger beroep zijn ter sprake gebracht? Ik zou daarop bevestigend willen antwoorden, gelet op het proces-verbaal van de zitting van 7 november 1983, waaruit blijkt dat de voorzitter van het hof heeft meegedeeld de korte inhoud van een verzoeker betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, waarin van de ontvangst van processen-verbaal uit het afgelopen jaar melding wordt gemaakt. Toen echter was verzoeker niet aanwezig. Uiteraard heeft hij de feiten, waar het in die processen-verbaal over ging niet erkend. Dat zijn raadsman er iets over gezegd heeft, blijkt evenmin. Ik vind dat dit zo lijkt op het "meenemen" van ad-informandumzaken, dat ook hier, willen de strafbare feiten, vermeld in die verbalen meedoen, deze ter zitting door de verdachte erkend moeten zijn. Bovendien is er in dit geval geen enkele aanwijzing dat het O.M. heeft toegezegd voor deze zaken straks geen vervolging meer in te zullen stellen. Het ziet er zelfs naar uit dat die zaken straks wel vervolgd zullen worden met als middelpunt parketno. 8878. En dan kan deze grond voor verzwaring van de huidige straf twee keer werken.
Ik besef dat deze hele denkwijze simpel overboord kan worden gezet door te overwegen, dat het hof door deze motivering slechts te kennen heeft willen geven dat de betrokkenheid van verzoeker bij nieuwe strafbare feiten, het niet teruggekeerd zijn van de dwaalwegen der criminaliteit, uit die processenverbaal blijkt en dat dit een omstandigheid de persoon van verzoeker en diens omstandigheden betreffend is, die in de strafmaat kan worden verdisconteerd. Ik heb echter duidelijk trachten te maken, waarom ik die gedachtengang niet wil volgen. Het past, dunkt mij, niet in een zorgvuldig systeem, waarbij mensen slechts tot straf kunnen worden veroordeeld wegens bewezen of in het strafproces zelf erkende strafbare feiten.
Zoals het hof terecht overwoog legde het, voor twee feiten veroordelend een zelfde straf opleggend als de politierechter die dat voor vier feiten deed, een zwaardere straf op dan de politierechter deed. Dat behoefde, strikt wettelijk, geen bijzondere verklaring. Wèl waarom het een hogere straf oplegde dan de procureur-generaal vorderde.
Die immers vorderde bevestiging van het vonnis van de politierechter, dus ook wat de strafmaat betrof, maar dan voor de drie feiten, genoemd onder 2). Het hof heeft verzuimd de bijzondere redenen daarvoor op te geven. Dat leidt tot nietigheid van het arrest, gelet op art. 359 lid 7 en Pro 8 en art. 415 Sv Pro.
Deze conclusie strekt ertoe, dat de Hoge Raad wegens gegrondheid van het middel en/of ambtshalve het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend hof teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,