Conclusie
No. 12.230
Zitting 20 januari 1984
Ik zal beginnen met een kort overzicht van de feiten; in de pleitnota in cassatie wordt namens de man sub 1 een "Historische achtergrond" geschetst waaraan Uw Raad maar beter voorbij kan gaan.
a. dat de man bij de aankoop van de onroerende goederen in het kader van het beheer van de gelden van de vrouw en (van) de hem verstrekte volmacht als procuratiehouder is opgetreden als middellijk vertegenwoordiger van de vrouw;
b. dat zij goedkeurde dat de man uit de opbrengsten van het bedrijf onroerend goed te eigen name aankocht;
c. maar dat zij er niet mee heeft ingestemd dat de man ook in hun onderlinge verhouding als de werkelijke eigenaar zou gelden.
En nu de man (zie rov. 7) de goederen als middellijk vertegenwoordiger voor de vrouw in eigendom heeft verkregen, is hij gehouden deze aan haar te leveren, nu zij de wens daartoe te kennen heeft gegeven.
Onder het begrip "overeenkomst van opdracht" kunnen overeenkomsten van zeer uiteenlopende aard worden gebracht; bij de hiervan gegeven voorbeelden wordt met name die tot vermogensbeheer genoemd, zie Toel. boek 7 p. 986, 987 ad art. 7.7.1.3, p. 994 ad 7.7.1.10 en p. 1000 ad 7.7.2.1 en voorts MvT Vaststellingswet p. 3.
Lastgeving is blijkens de leden 1 en 2 van art. 7.7.2.1 NBW de overeenkomst van opdracht, waarbij de lasthebber zich verbindt, ofwel in eigen naam ofwel in naam van de lastgever, maar in elk geval voor diens rekening, een of meer rechtshandelingen te verrichten.
De opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst van opdracht (en ook die van lastgeving) opzeggen, zie art. 7.7.1.10 met Toel. p. 993 e.v., MvT 17.779 p. 6, Asser-Coehorst p. 71 e.v. en 112 en Asser-Van der Grinten p. 39.
Overigens lijkt het van weinig belang hoe men de man in dit geval wenst aan te duiden: als middellijk vertegenwoordiger, dan wel als lasthebber; het gaat er hier toch niet om of een rechtshandeling van de man met een derde al dan niet aan de vrouw kan worden toegerekend (dat de - zakenrechtelijke - levering van de goederen door de verkoper aan de man de vrouw niet tot eigenares kon maken, is in het arrest van NJ 1976, 450 reeds beslist), het gaat hier uitsluitend om het vaststellen van de rechtsverhouding tussen man en vrouw. Zou de man bij de koop van de panden te eigen behoeve en voor eigen rekening hebben gehandeld, dan behoren deze hem toe; maar indien hij bij de aankoop en het op zijn naam doen stellen van die goederen handelde ten behoeve, en voor rekening (met de gelden) van de vrouw, dan rusten op hem te dien aanzien de verplichtingen van een lasthebber.
Onderdeel 1 van het eerste middelmist, naar het mij voorkomt, feitelijke grondslag voor zover het betoogt dat het de bedoeling van partijen was dat de man eigenaar van de goederen zou worden. De stelling van de vrouw, zoals weergegeven door het Hof in rov. 3, was immers dat de man de goederen, aangekocht met gelden van de vrouw en ten behoeve van de vrouw, binnen het kader van het beheer en de lastgeving, tijdelijk te zijnen name liet stellen, hetgeen m.i. niet hetzelfde is als: eigenaar zou worden. Zie ook boven sub 7 onder c. Daarmee ontvalt tevens de grond aan de stelling in dit onderdeel, dat het Hof blijk zou geven uit te gaan van een onjuiste inhoud van het begrip "lastgeving" en/of "middellijke vertegenwoordiging". En 's Hofs redengeving komt mij niet onbegrijpelijk voor.
Onderdeel 2, dat aan het Hof de bedoeling toedicht, het bestaan van lastgeving (alleen) te willen afleiden uit het feit dat partijen de vrouw als eigenaresse in economische zin van de goederen beschouwden, ontbeert eveneens feitelijke grondslag, zie boven sub 6, 7 en 8.
Waarom het Hof deze economische eigendom en lastgeving niet naast elkaar bestaanbaar had mogen achten, wordt in het onderdeel niet aangegeven en is mij dan ook niet duidelijk.
Wat betreft de motiveringsklacht: mij dunkt dat hier 's mans miskenning van 's Hofs bedoelingen niet aan het Hof kan worden verweten.
Onderdeel 3miskent dat 's Hofs oordeel is gegrond op het bestaan van een lastgevingsovereenkomst, zie boven sub 8 en 9.
Daargelaten welke inhoud in het onderhavige geval de - niet door het Hof, maar door de man gegeven - benaming "fiduciaire rechtsverhouding" kan hebben, het schijnt mij toe dat voor het voortbestaan van vele contractuele verhoudingen een zeker vertrouwen van partijen in elkaar nodig of althans gewenst kan zijn (vergelijk het bovengenoemd arrest van 1976, NJ 1976 p. 1323 l.k.:
Middel I moet m.i. dus falen.
Onderdeel 1 van middel IIbehelst twee klachten (in de eerste alinea lees ik slechts een inleidende opmerking), waarvan de eerste m.i, berust op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. Het Hof heeft immers zijn oordeel, dat de man de onroerende goederen als middellijk vertegenwoordiger van de vrouw heeft verkregen, niet uitsluitend gebaseerd op zijn beheer van de gelden van de vrouw, maar op een aantal vaststaande, in onderling verband beschouwde feiten, waarvan de in de klacht genoemde er slechts één was. En een klacht die een feit uit zijn verband licht en dan daarmee de ontoereikendheid of de onbegrijpelijkheid van 's Hofs beslissing wil aantonen, moet falen.
De in de pleitnota nogmaals geponeerde stelling omtrent de bedoeling van partijen dat de man eigenaar zou worden, is reeds boven sub 14 behandeld.
Onderdeel 2faalt om dezelfde reden als boven sub 17, eerste alinea, aangegeven.
Onderdeel 3eveneens, en wel bij gebrek aan feitelijke grondslag, zie de door het Hof in rov. 5 vermelde vaststaande feiten (boven sub 6 kort herhaald). Miskend wordt overigens dat de uitleg van hetgeen partijen ten processe hebben aangevoerd, en de vaststelling van wat zij al dan niet hebben betwist, feitelijk is en dus in beginsel in cassatie niet kan worden getoetst.
Middel IIIacht onbegrijpelijk de vaststelling door de Rb., overgenomen door het Hof in het thans bestreden arrest, dat de financiering van de panden geheel uit de opbrengst van het modehuis geschiedde. Het middel treft geen doel. Het Hof constateert - m.i. terecht - dat de man in zijn principaal appèl tegen deze vaststelling door de Rb. geen grief heeft gericht, terwijl ook in zijn memorie van antwoord in het incidenteel appèl (noch in de daarbij gevoegde documentatie) over financiering met geld van de man niet wordt gerept.
middel IVwordt miskend, naar ik meen, dat ook huwelijksvoorwaarden vallen onder het begrip wilsverklaringen, waarvan de uitleg, evenals die van overeenkomsten, testamenten e.d., in het algemeen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, terwijl er in dit geval m.i. geen reden is van die hoofdregel af te wijken, zie Van den Dungen (Veegens) Boek 1 titel XI; art. 99 RO, aant. 11, Veegens, Cassatie 1971 nrs. 108 e.v. en Cremers' Burgerlijke Rechtsvordering, rechtspraak ad art. 99 RO sub G.
onderdeel 1van het middel m.i. wederom uit van een onjuiste lezing van het arrest a quo. Naar het mij toeschijnt heeft het Hof art. 5 van de huwelijksvoorwaarden niet gewijzigd of opzij gezet: het Hof heeft slechts als zijn oordeel uitgesproken dat art. 5 in dit geval niet van toepassing is. Klaarblijkelijk heeft het Hof het artikel uitgelegd als een zakenrechtelijke regel die - bij twijfel of geschil daaromtrent - bepaalt wie van de echtgenoten eigenaar is van registergoederen (namelijk degene te wiens naam deze zijn gesteld), aan welke regel een obligatoire verplichting tot restitutie van gelden voor zover afkomstig van de andere echtgenoot is toegevoegd.
Nu was na de uitspraak van Uw Raad in 1976 niet meer in geschil wie van beide echtgenoten in dit geval als eigenaar van de litigieuze panden moest worden aangemerkt; de vraag was nog slechts of de man verplicht was die goederen aan de vrouw in eigendom over te dragen.
Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord, en wel op twee gronden: 1. ’s Hofs overweging in de eerste zin van rov. 7 (dat is wat het Hof bedoelt met "hetgeen hiervoor is overwogen"), namelijk dat de man de goederen in het kader van het beheer van de gelden van de vrouw en krachtens lastgeving voor de vrouw heeft verkregen, en 2. het in deze omstandigheden laten prevaleren van art. 1 van de huwelijksvoorwaarden ("iedere echtgenoot behoudt alle zaken, .... verkregen door belegging of wederbelegging van ieders bijzonder vermogen") boven de in art. 5 voorkomende obligatoire regel.
onderdeel 4omtrent art. 3 van de huwelijksvoorwaarden kan om de boven sub 20 en 21 aangegeven redenen niet aan de orde komen.
onderdelen 2 t/m 4voorts nog wordt betoogd, is een en ander m.i. voldoende en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
Middel Vmist feitelijke grondslag, voor zover het ervan uitgaat dat het Hof thans tot zijn beslissing is gekomen zonder een nader feitelijk onderzoek te hebben ingesteld. Het Hof heeft immers niet alleen onderzocht of de door de Rb. vermelde feiten als vaststaand mochten worden aangenomen - hetgeen het geval bleek te zijn, nu geen van beide partijen hiertegen in het principaal of het incidenteel appèl zijn opgekomen -, maar blijkens het arrest a quo heeft het Hof eveneens een - feitelijk - onderzoek ingesteld naar de inhoud van de huwelijksvoorwaarden die tussen partijen golden, en naar hetgeen overigens ten processe is gebleken, en hieruit zijn gevolgtrekkingen gemaakt; dit alles ter beantwoording van de vraag of er in casu sprake was van lastgeving, op grond waarvan de man gehouden was de goederen aan de vrouw over te dragen.
In appèl heeft de man zich er immers toe beperkt te bestrijden dat van maatschap dan wel van lastgeving sprake was. Feiten heeft hij daartoe echter, voor zover ik kon zien, niet aangevoerd. En na verwijzing was het daarvoor te laat, zie boven sub 20.
Middel VItenslotte klaagt dat het Hof ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard de veroordeling van de man om eraan mee te werken dat de litigieuze goederen op naam van de vrouw worden gesteld.
De man heeft in cassatie incidenteel geconcludeerd tot staking van de executie (ex art. 406 Rv.), waarop namens de vrouw een uitvoerige conclusie van antwoord in het incident is genomen (laatstbedoelde conclusie is uitsluitend te vinden in het dossier van mr. Maris).
Deze vordering is ingetrokken nadat de vrouw had toegezegd met executie te zullen wachten tot de uitspraak in cassatie was gegeven.
Het schijnt mij toe dat middel VI gegrond is, nu zich naar mijn mening geen van de gevallen voordoet, die limitatief zijn opgesomd in de artikelen 52 en 53 Rv. (zie Burgerlijke Rechtsvordering (F.M.J. Jansen) aant. 2 ad Boek I art. 53; na invoering van het NBW echter kan de rechter desgevorderd steeds zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, tenzij uit de wet of uit de aard der zaak anders voortvloeit, zie Invoeringswet Boeken 3-6 NBW eerste gedeelte, 16.593, art. 52-54).
bij de Hoge Raad der Nederlanden,