Conclusie
ondanksde door hem ingeroepen betalingsregeling met de fiscus, in de faillissementstoestand verkeerde. Aannemelijk is dat het hof mede acht heeft geslagen op de bij de behandeling in hoger beroep door [verzoeker] afgelegde verklaring, o.m. inhoudende dat hij momenteel ‘’haast niets’’, d.w.z. ongeveer f 1.000,-- per maand, met de autohandel verdient en aan de fiscus f 100,-- à f 300,-- per maand afbetaalt. Stelt men het gemiddelde maandelijkse bedrag dat [verzoeker] aldus betaalt op f 200,--, dan leert een eenvoudige berekening dat hij op die voet doorgaand ongeveer 40 jaar nodig zal hebben om zijn hier bedoelde belastingschuld te voldoen. Het onderhavige geval lijkt dan ook op dat van HR 22 juli 1982, R.v.d.W. 1982 no. 156, inz. nr. 6129. Het is voor het aannemen van de faillissementstoestand niet nodig dat de fiscus, als crediteur van de steunvordering in deze zaak, op betaling aandringt, het faillissement verlangt of zelf een opeisbare vordering heeft: zie de losbladige ‘’Faillissementswet’’, aant. 4 op art. 6, sub B, C en D, p. I.1.6. – 3, 6 en 7, met vermelding van rechtspraak. Het hof heeft aan het onderhavige verweer van [verzoeker] (zijn beroep op de betalingsregeling) aandacht besteed en dat verweer verworpen in een afweging van feitelijke aard; vgl. HR 11 juni 1982, R.v.d.W. 1982, 122, inz.nr. 6052, met de conclusie OM. Toetsing in cassatie van de juistheid van ’s hofs beslissing is niet mogelijk nu het hof niet van een onjuiste opvatting inzake de artt. 1 en 6 Fw. is uitgegaan. Nadere of andere motivering behoefde ’s hofs arrest niet.