Conclusie
Nr. 11.721
Zitting 15 mei 1981
onderdelen 12 en 13van het middel. De lengte van het cassatiemiddel en de bijna honderd bladzijden tellende toelichting daarvan bij pleidooi nodigen uit dit tot behoud van de overzichtelijkheid voorop te stellen. Gezien de uitvoerige en gedocumenteerde toelichtingen van partijen, meen ik mij in het navolgende tot een standpuntbepaling te mogen beperken en hier met een verwijzing naar de door partijen aangedragen gegevens te volstaan. De conclusie zal niettemin nog uitlopen, nu eenmaal alle opgeworpen klachten langs gelopen zullen moeten worden.
aonder
bN.B.W., die met betrekking tot de pauliana onder omstandigheden wetenschap van benadeling van schuldeisers veronderstelt bij rechtshandelingen onder meer tussen een rechtspersoon en een belangrijke aandeelhouder van haar (b.v. de moeder).
cvan onderdeel 13).
onderdeel 13in een der subonderdelen wordt bepleit, dat de eerder bedoelde factoren van geen belang zouden kunnen zijn in de verhouding tot de handelscrediteuren, acht ik de klacht derhalve ongegrond.
onderdeel 13- zoals trouwens ook op andere plaatsen in het middel - elke omstandigheid als ware dit een zelfstandige toetsingsnorm aan de orde wordt gesteld. Het gaat om de samenhang. Men zie verder de aantekening naar aanleiding van subonderdeel
bvan onderdeel 3.
de subonderdelen van onderdeel 13in het bijzonder langs gaan.
eerste alinea van subonderdeel a, die ook voorkomt in
subonderdeel a van onderdeel 3, mist derhalve doel. Voor zover de klacht een verdere beperking nastreeft, gaat ze te ver.
tweede alineavan dit subonderdeel wordt niet duidelijk, waarom het Hof de gedragingen van [eiseres] nader in tijd had moeten dateren. In het licht van het voorgaande volkomen terecht, heeft het Hof voor zijn oordeel alle gedragingen van [eiseres] van de aanvang van de oprichting van [A] af in beschouwing genomen.
subonderdeel gvragen van causaliteit, die ik om de samenhang niet te verbreken eerst na het in samenhang met dit onderdeel 13 te behandelen onderdeel 12 zal bespreken.
subonderdeel c (vgl. ook onderdeel 3) wordt het bewust op de been houden van [A] ondanks een slechter wordende financiële positie losgemaakt van de andere door het Hof aangenomen omstandigheden van het geval, zoals het van meet af aan voor onvoldoende risico dragende, financiële middelen zorgen, het tot zekerheid overnemen van alle nog in de vennootschap aanwezige waarden enz.
subonderdelen d, e en jwerden voor wat betreft hun belang bij de afweging reeds hierboven in de algemene aantekening ongegrond bevonden. De feitelijke betwisting in
subonderdeel dkan in cassatie niet als klacht dienen. Voor wat betreft
subonderdeel jverwijs ik verder naar het hierna nog volgende bij onderdeel 10.
subonderdeel e en f(vgl. ook onderdeel 17) voorts een beroep wordt gedaan, doet daaraan niet af. Men zie r.o. 15 slot en r.o. 16. Het feit dat ook zijzelf schade (verlies) heeft geleden, kan moeilijk als rechtvaardiging dienen ten aanzien van de omstandigheid dat zij alle verhaalsobjecten aan zichzelf heeft doen toekomen - daarmee toch haar verlies beperkende -, terwijl zij (bij alle verdere omstandigheden van het geval) aan de handelscrediteuren een vennootschap ter liquidatie liet met uitsluitend schulden. Het belang van [eiseres] bij [A] , waar nieuwe producten werden ontwikkeld, was ook niet uitsluitend financieel.
Subonderdeel hfaalt derhalve evenzeer. Men zie nog r.o. 17.
subonderdeel itegengeworpen factoren zijn, bezien vanuit de uitgangspunten van het Hof dat [A] geheel overheerst werd door [eiseres] , irrelevant. In r.o. 8 heeft het Hof bovendien vastgesteld dat de bedoelde activiteit ertoe heeft geleid, dat deze zaken in de macht van [eiseres] zijn gebracht.
De klacht faalt.
onderdeel 12over een soort overgangsrecht (vgl. de Die, R.M.Th. 1979, p. 255) bij het toetsen aan open normen als onrechtmatigheid reeds hierom doel. Dat verstrengeling e.d. van belang kunnen zijn in verband met aansprakelijkheid van de moeder, werd trouwens reeds eerder gesignaleerd.
Vgl. onder meer Westbroek, "Zijn wettelijke bepalingen gewenst in verband met concernverhoudingen", Preadvies Vereeniging Handelsrecht 1969. P. 78; van der Heijden-van der Grinten (1968), p. 110 e.v.
de subonderdelen b en g van onderdeel 13.
de aanhef van subonderdeel bmag ik verwijzen naar onderdeel 3.
subonderdeel bis de inzet de opmerking van het Hof, dat [eiseres] haar nadere leningen aan [A] niet heeft achtergesteld. De klacht luidt, dat ook bij achterstelling [verweerster] niets ontvangen zou hebben uit de boedel, even afgezien van de zekerheidsoverdrachten.
subonderdeel g van dit onderdeel 13komt de causaliteitsvraag in andere vorm naar voren, nu uitsluitend gekoppeld aan het gegeven dat [eiseres] ƒ 77.944.35 van de curator in het faillissement van [A] als opbrengst van de zekerheden heeft ontvangen. De klacht suggereert dat dit bedrag tevens het enige zou zijn geweest, waarop de crediteuren van [A] , die tezamen ongeveer ƒ 750.000,-- te vorderen hadden, zich zouden hebben kunnen verhalen, indien [eiseres] van de fiduciaire overdrachten tot zekerheid zou hebben afgezien. De schade kon derhalve, aldus het subonderdeel, ten hoogste 10% van de vorderingen belopen.
ivan onderdeel 13. Ik verwijs hierbij verder naar de aantekening bij onderdeel 6, waarin overigens voorts deze veronderstelling van het Hof als op dit ogenblik ontberende een deugdelijke feitelijke vaststelling terecht in cassatie bestreden wordt geacht.
gkan in het licht van het voorgaande echter op zichzelf niet slagen.
onderdeel 1komt mij gegrond voor, reeds omdat voor handhaving van in eerste aanleg gevoerd verweer - ook van verweer dat in eerste aanleg is verworpen - geen incidenteel appel behoeft te worden ingesteld. Voldoende is dat de eigen stellingen in hoger beroep zijn gehandhaafd. Dat dit het geval is, volgt voldoende duidelijk uit de mem.v.antw.. Vgl. voor gegevers concl. (p. 1076 r.k.) voor H.R. 11 april 1975. N.J. 1975 no. 345; H.R. 11 mei 1979, N.J. 1979 no. 441 (P.A.S.) omtrent onderdeel
a; H.R. 4 juni 1976, N.J. 1977 no. 40 (P.Z.), middel onder
c.
gen
h, waarvan de feiten kennelijk langs de als voormeld terecht bestreden weg zouden vaststaan.
avan onderdeel 13 is uiteengezet, mist
subonderdeel adoel.
subonderdeel bwordt niet aangegeven, waarin de geuite algemene stelling aangrijpt op de overwegingen van het Hof. Het mist reeds daarom doel.
avan onderdeel 13, beide reeds hiervoor besproken.
subonderdeel cbedoelde "gunstige verwachtingen" van de Nederlandse vestiging destijds in de organisatie van het concern gerechtvaardigd waren, kon het Hof deze verwachtingen bij zijn afweging zeer wel buiten beschouwing laten. In de visie van het Hof gaat het er niet om, of het begrijpelijk en gerechtvaardigd vanuit een oogpunt van [eiseres] was, dat [eiseres] de dochter in Nederland liet voortbestaan. Beslissend is - zoals reeds eerder gezegd -, of [eiseres] daarbij de belangen van andere crediteuren, waaronder de leveranciers, naar de maatstaven van maatschappelijk zorgvuldig gedrag voldoende in het oog heeft gehouden, met name ook voor het toch niet denkbeeldige geval dat haar taxatie onjuist zou blijken. Het betreft hier de risico’s die [eiseres] in oktober 1968 nam, toen ze besloot voort te gaan. Dit is ook van belang bij de beoordeling van de subonderdelen
d-
f.
subonderdeel d- dat in felte slechts een feitelijke betwisting inhoudt - wordt ten onrechte gesuggereerd dat het Hof aanloop- en ontwikkelingskosten in het algemeen gelijk zou stellen met verlies. Het Hof merkt in r.o. 5 slechts ten overvloede op dat, gezien het feit dat ook deze kosten op enigerlei wijze moesten worden voldaan (waartoe het gestorte kapitaal onvoldoende was) en dat ze tot geen enkel positief resultaat voor [A] hebben geleid, men ze voor voor wat betreft [A] ook wel "verlies" had kunnen noemen (het Hof gebruikt de irrealis). Dat is niet onjuist en voor de beslissing verder van geen belang. Men zie nog hieronder.
subonderdeel eaangevoerd, heeft het Hof aldus aan dit punt wel degelijk aandacht besteed. Overigens wordt in dit onderdeel niet aangegeven, waarin in het licht van het voorgaande het belang van de klacht steekt.
subonderdeel abedoelde belang van de familieverhouding tussen [betrokkene 1] , directeur van [A] , en [betrokkene 2] , directeur van [eiseres] , die b.v. in prod. 2
lbij c.v.repl. over deze directeur als "meinen Geshäftsführer in [plaats] " schrijft, oordeelt het Hof anders. Dit is een feitelijke waardering in het licht van de gegeven omstandigheden, die het Hof toekomt. Dit behoefde ook geen nadere motivering. De ontkenning werd ook niet nader geadstrueerd.
subonderdeel bwordt niet duidelijk gemaakt, waarom de op zichzelf niet onbegrijpelijke, feitelijke gevolgtrekking in r.o. 14 "dit bedrijf grotendeels zelf exploiterend" tegen de achtergrond van de posita van partijen niet zonder meer uit r.o. 7 zou kunnen volgen, nog daargelaten dat niet blijkt dat deze gevolgtrekking alleen op r.o. 7 zou berusten.
subonderdeel cwordt wederom uit het oog verloren dat het hier niet om een (zelfstandige) norm gaat, die bij schending op zichzelf het oordeel onrechtmatig rechtvaardigt, doch om een van de feitelijke omstandigheden, die voor dat oordeel van belang kan zijn. Deze omstandigheden ontlenen hun gewicht en hun doorslaggevende betekenis niet aan zichzelf, doch in het licht van de overige omstandigheden, waarmee ze tezamen het oordeel onrechtmatig moeten kunnen ondersteunen. Deze afweging is niet op deze plaats in het arrest aan de orde. De klacht loopt reeds hierop vast.
subonderdeel duitgaat, is onjuist, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist.
onderdeel 6(vgl. nog subonderdeel
ivan onderdeel 13) wordt terecht aangevoerd, dat het Hof buiten beschouwing heeft gelaten, dat kennelljk tussen partijen vaststaat, dat de curator in het faillissement van [A] voor de afvoer van zaken als hier bedoeld een stokje heeft gestoken en deze zaken zelf heeft verkocht.
jbetrof ook afvoer vóór het ingrijpen van de curator - ook vóór het faillissement - en deze afvoer is in de c.v.a. p. 16/17 erkend; het zou hier gaan om zaken die naar de stellige overtuiging van [eiseres] haar eigendom waren.
subonderdeel a van onderdeel 7, reeds omdat het Hof de redenen van het oordeel dat de zekerheidsoverdrachten bedenkelijk waren in r.o. 8 heeft aangegeven en daarnaast in r.o. 9 en 10 heeft overwogen, waarom dit in dit geval te meer gold.
subonderdeel contkende "onevenredigheid" wordt niet nader omschreven. Niet duidelijk is daardoor, waarop die ontkenning berust.
subonderdeel dwordt verondersteld, is omstreden en staat niet vast. Men zie r.o. 11 slot.
subonderdelen d en evoor de beoordeling van de situatie ten tijde van het faillissement (1970) van [A] als beslissend naar voren geschoven het ogenblik in 1968, waarop de A.B.N. haar krediet opzegde en [eiseres] besloot zelf de financiering voort te zetten. De rechtmatigheidstoetsing in dit geding was echter niet op dit laatste tijdstip toegespitst. Inzet van het geding was en is, of gezien het gehele gedrag van [eiseres] die rechtmatigheid jegens (handels)crediteuren bestond ten tijde van het faillissement. Dit veronderstelt niet, dat rechtmatigheid op een eerder tijdstip vast zou staan.
onderdeel fvond in het voorgaande reeds beantwoording. De betekenis van vermenging van vermogensbelangen in dat verband werd eveneens reeds besproken. Ook deze klacht is ongegrond.
onderdeel 8(vgl. ook onderdeel 15) wordt terecht aangevoerd dat tussen partijen omstreden was, dat [B] N.V. door [eiseres] was opgericht (dagv. onder 6
i; c.v.a. ad 6
iop p. 16; c.v.repl. onder 7; pleitnota appel Mr. de Savornin Lohman onder 27, p. 19/20). Uit de in het geding overgelegde desbetreffende stukken blijkt niet dat [B] N.V. niettemin een dochter van [eiseres] was of later is geworden. Het Hof heeft dus inderdaad verzuimd naar deze posita een onderzoek in te stellen en aldus vast te stellen, welke betekenis [B] N.V. in feite had.
subonderdeel j van onderdeel 13voorts wordt aangevoerd -, doet hieraan niet af, nu in dit verband in cassatie niet vaststaat, wie deze cijfers en die van de jaarstukken (in feite) heeft vastgesteld.
a) is het jaarverslag 1969-1970, op welk jaarverslag bij de bedoelde pleitnotities door [eiseres] commentaar is geleverd. De gegevens uit de inleidende dagvaarding onder 6
a, die het Hof in r.o. 13 heeft overgenomen, betreffen echter het boekjaar 1968-1969. Die cijfers zijn niet bestreden en met name niet in bedoelde pleitnotities.
onderdelen 12 en 13werden in omgekeerde volgorde in deze conclusie vooropgesteld. Men zie hierboven.
bwerd immers aan de stelling dat [eiseres] geen verdere uitbreiding van haar krediet kon verlenen toegevoegd: "hetgeen bij verdere voortzetting van de zaken van [A] N.V. noodzakelijk zou zijn geweest". Het krediet was blijkbaar opgebruikt. In het kader van de overwegingen van het Hof is er dan zonder meer geen essentieel verschil met opzegging te zien.
gvan onderdeel 13 zou slagen.
izegt het cassatiemiddel het fabriekspand met de grond - voor ƒ 7.000,-- wilde overnemen.
onderdeel 16wordt terecht gesteld, dat van belang kan zijn, dat [eiseres] tegenover de van de dochter verlangde zekerheden een hogere borgtocht te haren laste heeft toegestaan en het krediet aan de dochter aanzienlijk heeft opgetrokken. Het Hof oordeelt ook niet anders. Het meent echter in r.o. 15, dat in het onderhavige geval deze omstandigheid wegvalt tegen het aan [eiseres] aldaar gemaakte verwijt. Dat is een feitelijk oordeel. Daartegen is het onderdeel echter niet gericht.
een
fvan onderdeel 13 uiteengezet, verworpen te worden. Dat voor het aannemen van een onrechtmatig gedrag in het onderhavige verband steeds sprake zou moeten zijn van verrijking bij de moeder-maatschappij, is overigens een stelling, die te ver gaat.
onderdeel 18wordt een nadere klacht aan het hierboven gegrond bevonden verwijt uit onderdeel 2 toegevoegd.
bij de Hoge Raad der Nederlanden