Conclusie
onderdeel atot cassatie leiden.
Onderdeel bklaagt, voor dit geval, over de verwerping door het hof van [eiser] beroep op dwaling (tweede appèlgrief). Het onderdeel doet de vraag rijzen op welke gronden het hof heeft beslist dat aan [eiser] een beroep op dwaling niet toekomt. Heeft het hof, reppend van een "verwachting", het oog gehad op teleurgestelde toekomstverwachtingen die, anders dan "dwaling omtrent de zelfstandigheid der zaak", niet de grondslag van een vordering uit art. 1358 BW Pro kunnen vormen? Of is het hof, zoals het onderdeel tevens onderstelt, er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat de in juli 1970 bestaande bestemming van het pand, nl. als slooppand, voor [eiser] de zelfstandigheid der zaak als bedoeld in art. 1358 BW Pro vormde en dat hij de akte van 3 juli 1970 niet zou hebben ondertekend en het pand niet zou hebben verkocht aan de Gemeente, indien hij zou hebben geweten dat de toen bestaande sloopplannen niet zouden worden gerealiseerd? Het hof overweegt vervolgens: "Het moest [eiser] bekend zijn dat zodanige besluiten voor wijziging vatbaar zijn. Tegen het risico dat zulks zou gebeuren kon hij zich wapenen door in de bereidverklaring een voorwaarde op te nemen. Hij heeft dit niet gedaan. Ook op de brieven van de Gemeente van 6 november en 11 december 1970 heeft hij niet gereageerd". Deze overwegingen - m.i, met uitzondering van de laatste - zijn redengevend voor 's hofs oordeel dat aan [eiser] een beroep op dwaling niet toekomt. Zij duiden er op dat het hof van oordeel is geweest dat [eiser] de door hem gestelde dwaling aan zichzelf te wijten heeft en dat hem reeds op die grond een beroep op art. 1358 BW Pro niet toekomt. Vergelijke Asser-Rutten 4-II (1979) p. 118-119 met de aldaar vermelde jurisprudentie. Als ik mij niet vergis heeft het hof daarbij in het midden gelaten of ten deze rechtens sprake is van dwaling in de zelfstandigheid der zaak, dan wel - zoals in het bekende Marktcafé-arrest, HR 10 juni 1932, NJ 1933 p. 5 m.n. E.M.M. - slechts van teleurgestelde toekomstverwachtingen. In cassatie moet er dan ook veronderstellenderwijs van uitgegaan worden dat het hof dwaling in de zelfstandigheid der zaak, in de zin van art. 1358 BW Pro, aanwezig heeft geoordeeld. Het komt mij voor dat
onderdeel bterecht klaagt over gebrekkige motivering van 's hofs oordeel dat [eiser] zich niet op dwaling kan beroepen. Hij heeft inderdaad, zoals het onderdeel aanvoert, gesteld dat de Gemeente op het moment van acceptatie van het in de bereidverklaring vervatte aanbod tot verkoop reeds wist, dat het pand niet gesloopt zou worden en dat de Gemeente [eiser] dienaangaande had dienen te informeren; vergelijke de memorie van grieven p. 6 en 8 en de door [eiser] bij akte in het geding gebrachte pleitnota in hoger beroep p. 9-10. Het hof had, dunkt me, aan deze essentiële stellingen van [eiser] niet zonder meer voorbij mogen gaan, omdat ze voor de beoordeling van de gegrondheid van het beroep op dwaling van betekenis zijn. [eiser] heeft immers kennelijk bedoeld te stellen dat de Gemeente
reeds voor het tot stand komenvan de litigieuze koopovereenkomst - door of na het raadsbesluit dd 26 oktober 1970 houdende aanvaarding van [eiser] aanbod - wist van het niet-doorgaan van de sloop en [eiser] daaromtrent had dienen te informeren alvorens zijn aanbod, dat hij in dat stadium nog steeds kon intrekken, te aanvaarden. Een dergelijke, uit de goede trouw voortvloeiende informatieplicht - ertoe strekkende te voorkomen dat de wederpartij, [eiser], zijn aanbod handhaaft onder invloed van onjuiste voorstellingen betreffende omstandigheden die voor hem de eigenlijke grond voor het sluiten van de overeenkomst opleverden (HR 30 mei 1924, NJ 1924, p. 835 en HR 28 februari 1930, NJ 1930 p. 1258 m.n. E.M.M.) - kan inderdaad blijken te bestaan (zie HR 25 april 1947, NJ 1947, 270 m.n. E.M.M .; HR 19 juni 1959, NJ 1960, 59 met de noot van H.B., met name onder 7; HR 30 november 1973, NJ 1974, 97; Toel. ontwerp NBW p. 755-756 ad art. 6.5.2.11 van het oorspronkelijke ontwerp; art. 6.5.2.11 lid 1 sub b gewijzigd ontwerp en de Memorie van antwoord p.208-209, waarover H. Drion in WPNR 5361 (jrg 1976) p. 572). Zo'n informatieplicht veronderstelt dat [eiser], na het ontvangen van de informatie, de gelegenheid krijgt zich te beraden over al dan niet tijdig intrekken van zijn aanbod voordat dat door de Gemeente wordt geaccepteerd. Het zwijgen door de Gemeente waar spreken plicht was, kan het risico van de dwaling verplaatsen van [eiser] naar de Gemeente. Naar ik meen moet gegrondbevinding van de onderhavige klacht leiden tot vernietiging van het aangevallen arrest en tot verwijzing.
zekerheidgaf dat het pand zou worden gesloopt. Het komt mij voor dat deze grief feitelijke grondslag mist voor zover daarin wordt miskend, dat het hof op bedoelde stelling klaarblijkelijk wel heeft beslist, nl. door die te verwerpen, en wel in de overweging dat het [eiser] bekend moest zijn dat zodanige besluiten voor wijziging vatbaar zijn. Daarmee heeft het hof immers de door [eiser] ingeroepen "zekerheid" van de hand gewezen. De motivering door het hof van deze verwerping, nl. dat zodanige besluiten voor wijziging vatbaar zijn, behoefde als zuiver rechtsoordeel geen nadere motivering. Wat betreft het mogen vertrouwen op voorbereidingsbesluiten als het ten processe bedoelde, zie HR 11 juni 1976, Bouwrecht 1976 p. 771 met de noot van Crince Le Roy, met name onder 3 en 4, en diens bewerking van de losbladige "Ruimtelijke ordening", aant. 1, 5 en 8 op art. 21 Wet Pro op de r.o. Hetgeen het onderdeel hieraan toevoegt omtrent "de essentie van de dwalingsregeling" doet aan het vorenstaande niet af.
onderdeel b- dat mitsdien ten dele gegrond voorkomt - te kunnen laten rusten.
onderdelen c en dzou in beginsel niet behoeven te worden beslist, nu immers onderdeel b doel treft, Niettemin zal ik, zij het betrekkelijk kort, op die onderdelen ingaan.
onderdeel dvoor zover het de reeds gegrond bevonden klacht van onderdeel b herformuleert, eveneens gegrond. Voorts roept onderdeel d analogie met art. 61 Onteigeningswet Pro in. Dat beroep is door het hof impliciet verworpen in de rechtsoverwegingen die onmiddellijk volgen op de in de aanvang van de bespreking van onderdeel c geciteerde passages uit 's hofs arrest. Het standpunt van het hof dat art. 61 voornoemd Pro ten deze niet analogisch toepasselijk is, lijkt mij juist. De ratio van die wetsbepaling is, de onteigende te beschermen tegen onnodige en voortijdige onteigening, zie NJO 1978 p. 16 rechts. Daarvan is geen sprake bij "minnelijke onteigening", d.w.z. vrijwillige verkoop door de eigenaar aan de zich als a.s. onteigenaar presenterende instantie, met het oog op diens bestaande voornemens tot onteigening. De verkoper bij minnelijke onteigening wil een procedure voorkomen en contracteert om die reden vrijwillig met de wederpartij. De zodoende tot stand gekomen verkoopovereenkomst heeft als zodanig geen bijzondere kenmerken en is slechts aantastbaar met de voor koopovereenkomsten in het algemeen door de wet aangereikte wapens, zoals die van de wilsgebreken. Een extra "rechtsmiddel" in de vorm van analogische toepassing van art.61 OW Pro., zou daarbij m.i. niet aanpassen.
afzonderlijkbelang om haar recht op nakoming, opleverende eigendomsverwerving, te realiseren. Derhalve is voor dat recht niet fataal dat de Gemeente het litigieuze pand niet meer nodig heeft om de bestaande plannen voor het Oranjeplein te verwerkelijken.