ECLI:NL:PHR:1979:AB7440
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Begripsomvang en tariefwijziging onroerend-goedbelasting zwembad als gebouwde aanhorigheid
In deze zaak staat de kwalificatie van een in de tuin van een woonhuis gelegen zwembad centraal voor de toepassing van de onroerend-goedbelasting. De gemeente Rotterdam beschouwde het zwembad als een gebouwde aanhorigheid, terwijl belanghebbende dit betwistte. Het hof had het standpunt van de gemeente in beginsel gevolgd, maar paste een lagere oppervlakte toe voor de belastingaanslag.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip 'gebouwde aanhorigheid' ook installaties in de open lucht omvat die duurzaam zijn, zoals zwembaden. De vraag of het zwembad in het concrete geval als zodanig moet worden aangemerkt, is een feitelijke kwestie die in cassatie niet aan de orde komt. Wel oordeelt de Hoge Raad dat op het zwembad dezelfde vermenigvuldigingsfactoren moeten worden toegepast als op de woning, omdat de vloeroppervlakte van het zwembad kleiner is.
Verder gaat de zaak in op de datum van inwerkingtreding van een wijziging van de Verordening op onroerend-goedbelastingen. De Hoge Raad stelt dat de wijziging niet met terugwerkende kracht geldt, omdat de wijzigingsverordening geen duidelijke bepaling bevat over terugwerkende kracht en de regel is dat terugwerkende kracht niet wordt toegekend tenzij uitdrukkelijk vermeld.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het andere vermenigvuldigingsfactoren toepaste en stelt de aanslag vast op basis van de werkelijke oppervlakte van het zwembad en het juiste tarief. De beroepen worden voor het overige verworpen.
Uitkomst: De aanslag onroerend-goedbelasting wordt vastgesteld op f 224,- met toepassing van dezelfde vermenigvuldigingsfactoren voor het zwembad als voor de woning en zonder terugwerkende kracht van de tariefsverhoging.